Oorbellen

Ik ben dol van oorbellen. Mijn hele leven al. Ik zal een jaar of vijf geweest zijn dat ik voor mijn verjaardag OORBELLEN vroeg. OK. Moest ik wel gaatjes laten prikken. Met mijn moeder ging ik naar een juwelier. Deze man prikte nog met een naald. Hij hield de naald boven een vlammetje – om te ontsmetten – vertelde dat hij hem dan liet afkoelen en vervolgens even een gaatje in mijn oorlel zou prikken. Wat hij dan daarna zou gaan doen heb ik nooit meer gehoord want ik ben de winkel uitgerend: rechtstreeks naar huis.

Mijn moeder was woedend. Ik had haar daar echt voor gek laten staan. Wat of ik wel dacht. Geen oorbellen dus. Maar een paar maanden daarna had ik, dacht ik, voldoende moed verzameld om het nu echt te laten doen.
Dit keer zou mijn tante meegaan. Een kordate vrouw die me van te voren
duidelijk maakte dat ik met die onzin bij haar niet aan hoefde te komen.

Nee, nee, natuurlijk niet. Daar dacht ik ook niet meer aan.
Ik had zulke mooie oorbellen gezien. Kleine zilveren dennenappeltjes met een rood eekhoorntje erop. Daar had ik alles voor over.

Tante en ik naar dezelfde juwelier. De man sprak me echt moed in: en geen gekkigheid deze keer jongedame. Ik stond te trillen van de
zenuwen maar Tante hield mijn arm in een ijzeren greep. Weer hetzelfde ritueel. Naald boven een vlammetje – om te ontsmetten, afkoelen en daar kwam die hand met de naald richting mijn oor. Ik rukte me los en rende de winkel uit rechtstreeks naar huis. Nu was het verkeken het grote geluk. Ik zou nooit meer oorbellen krijgen – alleen vreselijk op mijn kop.

Maar toch, vlak voor mijn verjaardag begon ik weer te dromen van die oorbellen. Af en toe liep ik langs de winkel. Eerst voorzichtig kijken
of die enge vent niet voor het raam stond en dan kwijlde ik bij het zien van al dat moois. En toen op school was er ineens een meisje dat ringetjes had. Ze vertelde vol trots dat het helemaal niet eng was geweest. Ze knijpen even in je oorlelletje en dan voel je er eigenlijk niets van. Oh, ik wist nu zeker dat ik durfde. Ik rende naar huis om ieder het heuglijke nieuws te vertellen. Weet je het zeker? Vroeg mijn moeder. Ja, ja, ik wist het zeker.

Samen gingen we naar de winkel. Dit keer werden we door een
mevrouw geholpen. Mijn moeder vertelde dat ik een geval apart was en bij het zien van de naald al meteen de benen had genomen en wel tot twee keer toe. Dat kan ik me best voorstellen hoor, zei de vrouw. Maar ik doe het nooit met een naald. Mijn vader wel. Ik gebruik dit apparaatje. Kijk, hier gaat een ringetje in en dat schiet ik dan zo in je oorlelletje. Het doet echt geen pijn. Zal ik het doen? Vol vertrouwen hief ik mijn hoofd, deed mijn ogen dicht en was dapper. Knap, een raar gevoel maar geen pijn. Zo, zei ze, een hebben we al gehad nu de ander nog. Ik voelde me geweldig. Over zes weken zou ik de mooie zilveren eikeltjes met de eekhoorntjes krijgen.

Den Haag, 9-4-08

Sporten

Ik probeer twee keer per week te sporten. Op de sportschool. Dat heb ik van mijn leven nog niet eerder gedaan. Wel heb ik vroeger getennist,
paardgereden, geballet, gesquasht tot mijn knieën er van braken, gelopen, gehandbald, gefietst maar nog nooit op een sportschool. Maar ja, ik wil soepel blijven, nog soepeler worden en ik wil van al die pijntjes af. Misschien helpt het wel.
Forget it. Je krijgt er pijntjes bij en niet zo weinig ook. Jezus. Ik wist niet
dat ik daar en daar ook spieren had.

Ik sport met een “personal coach”. Dat moet ik wel want ik zou toch echt niet weten waar b.v. de kinesis-wand voor is. Een soort rvs-kabels die uit de muur of grond komen. Daar zitten gewichten achter – die ik gelukkig niet zie  en dan kun je daarmee oefenen. En iedere keer als ik denk nu weet ik het verzint mijn “personal coach” weer een andere oefening met die touwen.

Iedere keer heb ik spierpijn, wat volgens haar goed is want dan hebben we weer “een ongebruikte spiergroep” aangeboord maar ik moet eerlijk
zeggen dat ik me na afloop erg voldaan voel als ik naar huis kruip.

Na het sporten mag ik van mezelf in het “Turkse bad”. Sauna
heb ik de pest aan maar toen ik hier eenmaal in geweest was, was ik verkocht. Ik doe daar meteen ademhalingsoefeningen, want zo maar 15
minuten zitten te niksen, zit niet in mijn systeem.

Op dinsdag ga ik “alleen” sporten. Zonder die bemoeial bedoel ik. Dan loop ik een half uur, fiets een half uur en doe een half uur apparaten
of als ik nog een oefening heb onthouden de kinesis-wand. Daarna hup in mijn Turkse bad. Dat vind ik zo lekker dat ik erover denk om drie keer per
week te gaan. Drie keer sporten en dan mag ik drie keer in dat stoombad. Misschien kan ik twee keer sporten en dan 1 keer alleen dat stoombad doen. Ik voel heus wel dat dat ook goed is voor mijn oude botten.          En stel, stel, dat ik eens een keer heel veel spierpijn heb, dan kan ik toch ook wel eens dat sporten overslaan en toch in dat stoombad?

Of alleen in dat stoombad? Elke dag? Het is tenslotte bij
mij om de hoek. Ja, en dat ik dan dat sporten oversla….  Hhmmmm.

Den Haag, 4-4-08

Het diner

Etentje bij vrienden met een schoonzusje en haar man en die achterlijke zus van xx en haar man. Ze wonen in Baarn en hij doet heel denigrerend over andere nationaliteiten “behalve als het Engelse of Amerikanen of Fransen zijn, ……..wat jij………(vette knipoog)….. en Marokkanen en Turken…..maar dan alleen om schoon te maken…” bulderende lach.…..

“als je bij ons niet in de gemeenteraad zit stel je geen ruk voor.”

Ik: “dat is bij ons ook zo, godverdomme.”

Hij – verrast: “zit jij dan ook in de gemeenteraad?”

Ik: “nee, ik stel geen ruk voor!”

Den Haag, 7-3-11

De nachtegaal

Heel mijn leven ben ik al benieuwd naar het gezang van de nachtegaal. Als kind las ik sprookjes waarin zielige prinsessen een nachtegaal
in een kooitje kregen voor hun verjaardag of zo of als ze dodelijk ziek waren. En kijk, door het zingen van die nachtegaal werden die zielige prinsesjes dan meteen weer beter. Oh, had ik maar zo’n nachtegaal. Niet dat ik ziek was maar ik was zo benieuwd hoe hij zou klinken.

Niemand in mijn omgeving had interesse in vogels. Niemand wist het. En de mensen die het wel zeiden te weten omschreven het altijd vaag:
prachtig, zo zingt geen andere vogel. Prachtig.

Ja maar, hoe prachtig dan, hoe dan.

Het verlangen om de stem van de nachtegaal te horen raakte op de achtergrond. Ik wist niets van vogels en miste het eigenlijk niet.
Honden, katten, paarden, planten, bomen, ja, die hadden mijn volle
belangstelling en als ik met de honden en mijn kinderen door het bos liep, om de hele meute uit te laten, hoorden we wel vogels maar tot mijn schande was ik nog net zo onwetend als toen. Ik kon ze van alles vertellen over wat ze zagen maar niet over wat ze hoorden.

Maar er zou verandering in komen. In een natuurhistorisch museum hadden ze een tentoonstelling van allerlei vogels met de daarbij
behorende stemmen. Eindelijk, nu zou ik het horen.  Helaas, de nachtegaal was kapot. Op de radio: vogelstemmen: helaas bij het gezang van de nachtegaal werd er door heen gepraat en werd er van alles over de nachtegaal verteld maar nu wist ik nog niet hoe hij klonk. Maar….. nu heb ik een CD met vogelgeluiden van vroege vogels en jawel, daar staat de nachtegaal op. Vanmorgen heb ik ernaar geluisterd. Kijk, ik had heus geen opera verwacht, en ik vind het inderdaad prachtig hoor, maar
volgens mij zit er zo’n vogel bij ons in de buurt die in het vroege voorjaar
zijn prachtige trillers laat horen, nee, niet de zanglijster, want die herhaalt
alles drie keer, nee, het is gewoon de nachtegaal.

Den Haag, 28-5-08

Leerweek

Ik heb van de week veel geleerd. Ik heb geleerd hoe je kleine plantenpotjes (zaaipotten) kunt maken van oude kranten en ik heb geleerd hoe je met de Kintsuki techniek kapot aardewerk en porselein kunt repareren. Dat heb ik vannacht gelezen op internet. Je hebt er o.a. goudpoeder voor nodig.

Ik ben natuurlijk een fanatieke hond dus ik ga komend weekend naar de Hortus in Leiden om een houten malletje te kopen om die zaaipotjes te maken. En vanmorgen heb ik meteen goudpoeder aangeschaft.

Ik was bij Artifac om te vragen of ze goudpoeder hadden. “Jawel, daar in de kast.”  De kast was wel op slot maar hij had de sleutel. “Wat
gaat u er mee doen?” Vroeg hij streng. “Ik ga het voor koken gebruiken. Eerst ga ik viooltjes suikeren en daarna geef ik ze een gouden randje met goudpoeder. Leuk he.”

“Zonde van het goud.” Die jongen was echt saai.

Nu ga ik zo dadelijk iets uitzoeken dat ik kapot kan gooien en kan gaan lijmen. En ik denk dat ik ook goudaders op de muur ga maken en ik
ga het met glas proberen en ik……. Ho stop Maria.

Den Haag, 18-5-2012

Slavernij

Ik word er helemaal kots van. Al die mensen die Polen, Tsjechen, Bulgaren of weet ik wat laten werken voor een schijntje.

“ze mogen zelfs bij ons slapen”, ja, denk ik dan, maar niet in de logeerkamer maar gewoon in de ruimte waar gewerkt wordt. Ze kunnen ’s avonds wat luchtbedden neerleggen en op een gasje hun blikjes opwarmen.

“Oh”, kirde mijn buurman, “ze werken 12 uur per dag en 6 dagen per week. En ik dacht eerst dat zal de kwaliteit niet ten goede komen, maar ze leveren heel behoorlijk werk. Maar ik heb dan ook gewoon een aannemer die ze in dienst heeft. Dus allemaal heel legaal en het scheelt gewoon veel in geld. Ik ben er heel tevreden over.”

Nou, da’s nog mooi. Mijn buurman weet natuurlijk net zo goed als ik dat die Polen hem € 12,50 per uur kosten maar dat ze maar € 3,– per uur uitbetaald krijgen. Dat is € 9,00 per uur, per Pool voor de aannemer die voor dat geld deze mensen opdrijft en uitbuit.

Ik ken ook mensen die de aannemer er buiten laten en zelf een stapeltje Polen inhuren. Dan wordt er een deal gemaakt. € 5,– per uur. Ze voelen zich dan erg bijdehand, en komen vaak bedrogen uit. Want dan staat er geen aannemer met een zweep en dan moet Jan-Jaap dat zelf doen. Maar Jan-Jaap is natuurlijk niet gek. Hij houdt zijn mond tegen die Polen, ze verstaan hem trouwens toch niet, en hij neemt alles voor lief en bedenkt iedere keer als er iets gebeurt wat hij eigenlijk niet wil: ZE KOSTEN MAAR 5 FUCKING EURO’s PER UUR.

Maar de Polen zijn ook niet gek, die hebben meteen door wat een softie Jan-Jaap is en traineren de boel. Ze zijn er wel 12 uur per dag maar werken geen 12 uur. Jan-Jaap durft toch niets te zeggen. Die had eerst een offerte laten maken bij een aannemer en die had gezegd dat hij er 3 weken over zou doen met 4 mensen. Jan-Jaap meteen zijn pocketcalculator gepakt en gerekend. Het was heel simpel: de aannemer vroeg € 45,– per uur per man en die Polen € 5,–. Zullen ze er wat langer over doen, dan was hij nog veel goedkoper uit.

En nou is het grappig want Jan-Jaap weet altijd precies wat de dingen hem kosten en blaat het graag de wereld rond hoe bijdehand hij wel niet is en hoe hij nu ook weer die en die te slim is af geweest. Maar over de Polen hoor je Jan-Jaap niet meer. Maar ik weet zeker dat je de Polen wel hoort gniffelen over Jan-Jaap: “weer zo’n stomme kaaskop genaaid!”

Den Haag, 12-3-11

 

 

Boy

Het was maandagmorgen zeven uur. Ik had een bank uitgekozen met een schitterend uitzicht op de waterpartij. Mijn hond rende rondjes alsof
zijn leven er van afhing. Ik wist bijna zeker dat hij dadelijk “per ongeluk”
zijn rondje zo zou uitbreiden dat hij een stukje over het water moest. Kon hij het dan helpen dat hij er in viel. Hij was Jezus niet. Het beloofde een warme dag te worden. Over een kwartier zou Boy voor me staan. Dan zou ik hem vertellen dat het uit was tussen ons. Ik ging hem ook vertellen dat ik in verwachting was.

Ik had gisteren een zwangerschapstest gedaan. Positief! Positief! Veertig jaar. Eindelijk. Pieter en ik hadden er heel goed over nagedacht en samen hadden we besloten dat dit echt mijn laatste kans was. We wilden dolgraag kinderen. Zo’n stuk of vijf. Maar toen die er na vijf jaar huwelijk nog niet waren hadden we ons allebei laten onderzoeken. De oorzaak had bij Pieter gelegen. Hij was onvruchtbaar. Kon geen kinderen verwekken. De klap was groot geweest.

Wij waren al samen vanaf de 4e klas middelbare school. Samen hadden we economie gestudeerd in Rotterdam. We hadden toen al een vast beeld voor ogen gehad hoe we ons leven zouden leven. De politiek in. Later zouden we trouwen en dan kinderen. Veel kinderen.

Toen we drie-en-dertig waren trouwden we. En vanaf dat moment
waren kinderen welkom geweest. Het idee dat we geen kinderen zouden krijgen was nooit in ons hoofd opgekomen. Alles was immers altijd gelopen zoals we het gepland hadden. Wat waren we naïef geweest. Gek eigenlijk. In ons werk wisten we precies wat we moesten en waarom. Maar in ons privéleven waren we de draad ineens kwijt. Alsof er in ons huwelijk een rotje was ontploft. Maar het had ons niet verwijderd van elkaar. Integendeel. Samen huilden wij, we klampten ons aan elkaar vast en wisten heel zeker: wij moeten een kind.

We gingen opnieuw plannen maken. We waren toen allebei achtendertig en te oud om voor adoptie in aanmerking te komen. Een KI vonden we
ook geen optie. Als dat bekend zou worden. We moesten er niet aan denken hoe ons privé drama uitgemeten in kranten en roddelbladen zou verschijnen. De gedachte alleen al. Toen besloten we om zelf een donor te zoeken. Pieter was inmiddels minister geworden en had een
rechterhand nodig. Er was een advertentie gezet en we hadden samen de selectie gedaan. Uiteindelijk waren er 3 mannen en twee vrouwen overgebleven.
We hadden uiteraard de vrouwen er alleen voor de vorm bijgehouden. Er moesten er weer twee afvallen. We besloten dat we onze keus nu moesten maken en die was gevallen op Boy. We hadden hem laten keuren en laten testen tot we alles van hem wisten. Ook zijn achtergrond was heel belangrijk voor ons. En bij hem was die zonder meer goed geweest.

Zo had Boy dus zijn intree gedaan in ons leven. We waren er geen van twee bang voor geweest dat ik op Boy verliefd zou worden. Ik hield van
Pieter met heel mijn hart en hij van mij. We hadden het probleem academisch benaderd. We hadden alleen maar een donor nodig. Meer niet. En die donor mocht van niets weten. We wilden niet later daarmee gechanteerd worden. We wilden er niets over lezen in de kranten. We wilden alleen maar een kind.

Zo kwam Boy voor Pieter werken. Zo van de universiteit, zo bij het gevolg van Pieter. Verblind door de schijnwerpers, verblind door Pieter was hij net het bekende konijn geweest, gevangen in het licht van die
schijnwerpers.

Twee maanden geleden waren we onze zogenaamde verhouding
begonnen. Boy en ik. We hadden natuurlijk altijd condooms gebruikt. Mijn
condooms, die ik van te voren lek geprikt had. Ik had het steeds zo uitgekiend dat we sex hadden als ik vruchtbaar was. En nu was ik dan zwanger. Boy had gedaan waarvoor hij aangenomen was.Ons leven zou verder gaan. Met een kind. Zonder Boy. Ik was hem al bijna vergeten. Hij zou een zeer goede baan in het noorden van het land krijgen. Dat
had Pieter al geregeld. Voor Boy zou het een bliksemcarrière betekenen.

Ik zag Boy pas op het allerlaatste moment. Toen hij al voor me stond. Zijn gezicht stond gespannen. Hij zag spierwit.

“Elsa, wat is er aan de hand, waarom zo vroeg en waarom hier?”

“Boy, we moeten praten. Ik kan dit niet langer aan. Het is uit tussen ons. Over. Afgelopen.”

Niet te veel aandikken dacht ik bij mezelf.

“Ik ben in verwachting. Dat is er aan de hand.”

“Ben je van Pieter in verwachting?”

“Ja, natuurlijk, van jou kan het niet zijn.”

“Oh, gelukkig Elsa.”

Ik keek hem bevreemd aan. Het leek wel of hij opgelucht was. Nou ja, maar beter zo.

“ Elsa, ik moet jou ook iets vertellen.” Hij keek me aan met een van angst vertrokken gezicht. “Ik heb aids.”

“Aids? Aids? Hoe kan dat nou? Hoe kom jij aan aids.” Ik voelde me ijskoud worden. Dit kon niet waar zijn. Dit mocht niet.

“Boy, kijk me aan. Zeg dat het niet waar is. Het kan niet waar zijn.”

“Ik weet het pas sinds gisteravond. Ik heb gisteravond een gesprek met mijn huisarts gehad. . Ik had een test laten doen. Ik ben homosexueel, Elsa, een homo.”

“Wat homo. Waarom ben je dan met mij naar bed gegaan?”

“Omdat ik dacht dat het van me verwacht werd verdomme. Niet omdat ik het wilde. Ik val op mannen. Niet op jou.”

“Weet Pieter dit al?”

“Natuurlijk niet. Ik vertel dit aan jou, in vertrouwen. Gelukkig hebben wij altijd condooms gebruikt. Ik zou de gedachte niet kunnen verdragen iemand te besmetten. Jezus Elsa, wat moet ik doen.”

Ik had al mijn zelfbeheersing nodig om niet in gillen uit te barsten. Om niet de eerste de beste steen te pakken en daarmee zijn hersens in
te timmeren.

Maar ik deed niets. Ik liep richting waterpartij en floot mijn hond.

Den Haag, 18-6-2006

Gebroken gedachte

Er brandde maar één  klein lampje in de slaapkamer waarbij ik net kon lezen. Een mug vloog door de kamer. Hij maakte een geluid als een kleine cirkelzaag. Na een tijdje hield het venijnige geluid op. Ik speurde de kamer af of ik de mug kon ontdekken. Het lamplicht streek langs de muur en ik zag de mug zitten. Als ik op een stoel ging staan en één voet op de verwarming kon ik hem doodslaan.Ik klom op de stoel, zette één voet op de verwarming en sloeg naar de mug. Ik raakte mijn evenwicht kwijt en viel.

Ik werd wakker in het ziekenhuis. “Wat doe ik hier” vroeg ik de zuster die naast mijn bed stond.  “U hebt een gebroken gedachte”, zei zij “en u moet twee jaar in bed blijven. Hebt u trek in een hapje lekker verse pens?”

Ik keek naar beneden en zag dat mijn rechtervoet in het gips zat. En ineens wist ik het weer. Ik had warme voeten gehad en was naar beneden naar de koelkast gegaan om frisse voeten aan te doen.

“Hebt u ook altijd frisse voeten in de koelkast staan?” vroeg ik de zuster.

Ze keek me peinzend aan. “Hoe weet u dat?”

Ik legde haar uit dat ik dat niet wist en het haar daarom vroeg.

“Mijn voeten hebben een clicksysteem,” zei ik. “Ik click mijn voeten er gewoon aan. Je moet wel goed opletten dat je de goede voet aan het goede been doet.”

“Waar koopt u die voeten?” vroeg ze.

“Ik laat ze maken. U kent misschien dat bedrijf dat de toneelkleding verzorgt? Je kunt daar pruiken en kleding huren, decors laten maken en allerlei andere dingen. Ik wilde een keer als octopus naar het carnaval en toen hebben zij zes armen voor mij gemaakt. Dat was zo goed gelukt dat ik dacht dat kunnen ze vast ook wel met voeten doen. Zo doende. De eerste voeten die ik liet maken waren van hout. Maar als je die houten voeten in de koelkast zette werden ze niet echt fris. Dus heb ik ze gevraagd voeten van titanium te maken. Heerrrrlijk fris. Het is iets duurder maar dan heb je ook wat. Heb ik een tas bij me?”

Ze knikte van ja.

“Kunt u mijn tas misschien even pakken dan kan ik u mijn voeten laten zien.”

Zij liep naar de kast en haalde mijn tas eruit.

“Maakt u maar open en haal de rode zak eruit. Daar bewaar ik ze altijd in.”

“Waarom een rode zak?” vroeg zij.

“Neemt u mij in de maling?”

“Natuurlijk niet. Ik moet dat weten,” zei de zuster.

“Toen mijn voeten er net afgezaagd waren bloedden ze nogal. Ik heb ze toen in een rode zak gedaan omdat ik niet van bloed houd. Zo kun je
het gelukkig niet zien.”

Ik haalde de voeten eruit en gaf ze aan de zuster.

“Mag ik ze eens passen?”

“Natuurlijk. Ik hoop dat het uw maat is.”

Ze stapte van haar eigen voeten af en zette haar rechterbeen op de rechtervoet. Ze deed een stap. De voet bleef staan.

“Ze doen het niet.” zei ze vertwijfeld.

“U hebt ook geen clicksysteem. Dat is heel belangrijk.”

“Wat nu?” zei zij.

“We zullen zelf een clicksysteem moeten maken. Leg die voet maar op het bed hier. Ik heb dat zo gedaan. Kijk, dat palletje aan de voet, Zoiets moet nu ook bij uw been. Maar dan omgekeerd. Pak dat blauwe rolletje
eens in mijn tas. Zevende vakje rechts. Daar zitten clickjes op.”

Ze gaf het me aan en ik plakte het op haar been. Nu kon ik de voet aan haar been clicken.

“Nu nog het andere been. U mag de voeten wel even lenen. Ik moet hier toch twee jaar liggen. En weet u wat ik zo handig vind?” Ze keek me
vragend aan. “Als je nu je nagels wilt lakken zet je gewoon je voeten even op tafel.” Ik moest giechelen. “In het begin lakte ik ze drie keer per dag. Gewoon voor de lol. Neem die voeten nu maar mee. Ik ga nu slapen. Ik ben moe.”

Ineens bedacht ik dat de zuster waarschijnlijk niet wist hoe ik heette. En aan wie moest ze dan die voeten terug geven.

“Zuster?”

“ Ja?”

“Ik heet Bobbie. Dat is een hondennaam. Maar dat vind ik niet erg. Zolang ik maar ……….” ik kon niet verder praten van het lachen “……
geen ……….harige oren …….krijg. Dan vallen ……….mijn ………oorbellen ……..niet ……….meer ……op.”

Ik lachte tot de tranen over mijn gezicht liepen. De zuster
boog zich over me heen. “Goed zo”, zei ze, “lachen is gezond. Net als fruit. Drie keer per dag.”

“Net als nagels lakken” lachte ik, “ook drie keer per dag.”

“Bobbie.” Het klonk aarzelend. “Je zei net iets over harige oren. Heb je de laatste tijd nog in de spiegel gekeken.”

“Nee, ik geloof het niet. Waarom?”

“Wil je in de spiegel kijken?”

“OK.”

Ze pakte de spiegel van de muur en hield hem mij voor.

“Oh, wat grappig, wat leuk. Ik heb een hondenkop. Alleen hangoren. Zie je wat ik bedoel? Je kunt nauwelijks mijn oorbellen zien. Zuster, u hebt er voor doorgeleerd: pak een decoupeerschaar. Zit in mijn tas. Eerste vakje links. En in het veertiende vakje links zitten twee rolletjes rode tape. Een met clickjes en een zonder clickjes. Die zonder clickjes moet je hebben. Ja?”

“Heb ik.”

“Ook de schaar?”

“Ja,  heb ik ook.”

“Ik wil staande oren. Puntoren. Maak even een malletje. Hier.” Ik knipte met de schaar een vorm uit het beddenlaken. “Zie je, zo moet je ze knippen en dan doe je er een rood tapeje om.” Ik liet het haar zien…….

“………Ze is waarschijnlijk op haar achterhoofd gevallen. ….Ze
heeft een zware hersenschudding….. Plat liggen en rust…….”

“Hoe kan je nu een hersenschudding krijgen in je slaapkamer?” zei een bekende stem.

Ik deed voorzichtig mijn ogen open en zag twee wazige dokters staan.

“Kijk, ze is wakker.”

Ik voelde voorzichtig aan mijn oren.

Den Haag, 15-10-2006

 

Levenslang

“Ze is overmorgen jarig en ik heb nog steeds geen geld.” Mistroostig liet Daan zich op de hoge stoep zakken naast zijn vriend.

“Kun je niet om je zakgeld vragen?” Daan schudde zijn hoofd. “Nee, hij is de laatste tijd in zo’n rothumeur. Ik ga het gewoon jatten bij de Kaaskop.”

Mo sloot zijn ogen van ontzetting. “Daan doe dat nou niet, als je gesnapt wordt….”

“Nou, wat dan? Je hoort het zelf op school. Dan wórd je gesnapt en dan móet je mee naar het bureau en dan kríjg je een preek en dan mag je weer weg.” “Maar ze vertellen het misschien wel aan je vader en moeder.” Een rilling liep over Daan’s rug. Als zijn vader zou horen dat hij gestolen had zou hij zeker ontzettend op zijn donder krijgen. Erger dan anders. Dat moest hij er dan maar voor over hebben.

Hij keek Mo met een wit, strak gezicht aan: “Ik doe het om vijf uur. Dan is het altijd druk.”

Ze hadden samen al eindeloos in de winkel rondgehangen. De Hollandse Daan met zijn zijïge witblonde haartjes en de Marokkaanse Mo met zijn zwarte krulletjes. Samen vormden ze een plaatje, een belofte van vrede, van vriendschap, van schoonheid. Maar daar hadden zij geen weet van. Zij waren pas acht.

De keus was gevallen op een klein koffertje met vrolijke lieveheersbeestjes. Daan wist zeker dat Fleur dat mooi zou vinden. Fleur zat bij Daan en Mo in de klas en zou overmorgen jarig zijn. Daan was dol op Fleur. Misschien wel verliefd. Maar alleen zijn vriend Mo wist daarvan en die zou hem nooit verraden.

“Wat kun je eigenlijk met zo’n koffertje doen?” had Mo gevraagd.

“Gewoon, spulletjes in stoppen, dat doen meisjes, dat vinden ze leuk.” “Gewoon, spulletjes in stoppen? Wat voor spulletjes dan?”

“Ja, dat weet ik ook niet goed hoor, maar Annemarie zegt dat je er spulletjes in stopt.”

Daan had een vast vertrouwen in zijn nichtje Annemarie.  Zij was 10, 2 jaar ouder dan Daan en daarom ook de expert in moeilijke vraagstukken zoals: wat geef je aan een meisje van 8 voor haar verjaardag. Daan had toen nog gedacht dat hij het van zijn zakgeld zou kopen. Hij kreeg 2 euro per week. Maar hij had nu al weken geen zakgeld gehad. Als hij het aan zijn vader vroeg werd die kwaad. “Zeur toch niet zo over geld – altijd maar zeuren, je bent net je moeder. Jullie hebben nooit genoeg. Een pak op je donder kun je krijgen.” En als hij het aan zijn moeder vroeg zei
die altijd: “voor geld moet je bij je vader zijn hoor, daar bemoei ik me niet
mee.”  “Maar mam, alleen maar 2 euro per week voor mijn zakgeld, kun je me dat niet gewoon betalen?” “Daan hou daar nou eens over op.” “Jij hebt anders wel altijd geld om drank te kopen.” Daan had haar kwaad aangekeken en meteen een klinkende klets in zijn gezicht gekregen.
De hele dag had het er rood uitgezien.

“Heb je weer op je donder gehad?” vroeg Mo, toen ze elkaar op het schoolplein zagen.

“Ze willen gewoon mijn zakgeld niet betalen.”

“Wil je het van mij lenen?” Daan schudde zijn hoofd. “Nee, bedankt Mo, maar dan kan ik het nooit terug betalen.”

“Nou, dan geef ik het je gewoon.” “Nee.” Daan kon dat niet aannemen. Dan zou het nooit zijn cadeau zijn voor Fleur, maar het cadeau van Mo.

“Kun je het niet gewoon vergeten?” vroeg Mo.

“Nee, dat kan ik niet. Ik wil wat voor haar kopen.” Ze hadden het steeds opnieuw besproken en toen had Daan de knoop doorgehakt. Vanmiddag om 5 uur. Langer uitstellen kon niet.

“Ik ga met je mee,” had Mo gezegd.

“Nee Mo, als ik betrapt word dan ben jij er ook bij.” Mo haalde zijn schouders op maar bleef er bij dat hij mee ging. Om vijf uur waren ze in de winkel van de Kaaskop. Het was een klein warenhuis, van alles wat. Lekkere geurtjes, tassen, tennisrackets, sokken, gereedschap, speelgoed, maar ook videospelletjes en kerstballen. Het was de enige winkel in het dorp. Ja er was natuurlijk een slager en bakker. En op de hoek had je een grote supermarkt, maar dat ging allemaal over eten. Deze winkel had de meest spannende zaken. Zo rond vijf uur zag je er veel kinderen uit de buurt. Er was altijd wel iemand jarig of je had altijd wel iets nodig.
De Kaaskop was zo alert als een hyena met jongen. Hij zag alles, hoorde alles. Iedereen was bang van hem. Maar Peter, een jongen uit een hogere groep, had op school verteld dat hij er een stropdas had gejat en zoals Peter het verteld had was het een spannend avontuur geweest.

Het was vijf uur en Daan en Mo stapten de winkel binnen. Daan was misselijk van angst maar wist precies wat hij wilde. Hij had een grote plastic tas bij zich, want het koffertje dat hij op het oog had paste
niet in zijn broekzak. Het was een schattig koffertje en hij wist zeker dat Fleur het leuk zou vinden. Ze liepen eerst wat rond. Ze hadden afgesproken dat Mo iets zou kopen als de Kaaskop in de buurt van de kassa zou zijn zodat die Mo zou moeten helpen. Mo zou onhandig
doen met het geld, wat laten vallen en dan had Daan genoeg tijd het koffertje te pakken, in de plastic tas te doen en kalm weg te wandelen.

Nu,”  zei Daan, “verpest het niet hoor.”

“Nee,” fluisterde Mo en pakte een schriftje van 1 euro en liep daarmee naar de kassa. Even later kwam hij terug.

“De Kaaskop is er niet,” fluisterde hij.

“Waar is hij dan?” vroeg Daan. “Ik heb hem niet gezien. Misschien is hij er vandaag niet,” zei Mo “en hebben we geluk.”

“Wie is er dan bij de kassa?”

“Dat blonde meisje, weet je wel, met die paardestaart.”

“OK, dan hebben we inderdaad geluk. Die let nooit op. Ga jij nou afrekenen dan pak ik het koffertje.” Mo liep naar de kassa. Daan keek nog eens goed om zich heen en pakte het koffertje. Er gebeurde niets en hij liet het in de plastic tas glijden. Zo nonchalant mogelijk liep hij richting kassa en richting uitgang. Zo hadden Mo en hij het afgesproken. Alsof hij op Mo wachtte en dan zouden ze samen naar buiten gaan. Gespannen keek hij naar Mo. Die had net betaald en kreeg een kassabon en zijn schriftje. Mo kwam naar hem toe en samen liepen ze naar de deur. Het liefst hadden ze gerend maar ze hadden afgesproken dat dat op zou
vallen. Nee, gewoon kalm de winkel uitlopen.

Ze waren er bijna toen ze de Kaaskop zagen. Hij kwam hun richting uitgerend. Zijn dikke hoofd was rood aangelopen en hij zag er naar uit of hij zo in elkaar zou kunnen zakken. Hij hijgde en pufte. Daan zette het op een lopen maar de Kaaskop kreeg hem te pakken toen hij net één voet buiten wilde zetten. Hij werd weer naar binnen gesleurd en de Kaaskop griste de tas uit zijn handen. “Ik wist het wel, ik wist het wel” hijgde de Kaaskop triomfantelijk. “Ik wist dat jullie iets van plan waren. Kom maar eens even mee naar mijn kantoor, jullie allebei.”

Het kantoor was heel anders dan ze het zich hadden voorgesteld. Het was een luxe kamer, met zacht tapijt, een groot bureau, schilderijen aan de muur en aan één kant stond een rij beeldschermen. Toen Daan erop keek wist hij dat het goed fout zat. Hij zag verschillende delen van de winkel. Zo kon de Kaaskop dus precies zien wat er gebeurde.

“Ik heb het alleen gedaan, Mo wist er niets van.” Hij keek de Kaaskop recht aan.

“Ja, ja,” zei de kaaskop, “we zullen zo eens even naar de tape kijken als de politie hier is en je vader of moeder. Maar we zullen beginnen met de politie. Ik denk dat die jullie wel mee zullen nemen. Ja, en van school af. Jammer, maar ja, daar hadden jullie aan moeten denken voordat je met stelen begon.”

Mo zat als verstijfd. Zijn vader was rechter. Hij was dol op zijn vader. Hij was wel streng maar had ook heel moderne opvattingen over opvoeding. Mo had thuis erg veel vrijheid maar er werd hem ook geleerd om de consequenties te dragen van wat hij deed. Zijn vader was eigenlijk nooit boos. Er waren regels en daar moest hij zich aan houden. En hij wist zeker dat stelen heel, heel erg was. De tranen stonden in zijn ogen. Maar hij had zelf meegewild. Daan had hem vaak genoeg gewaarschuwd. Pech. Hij keek nu ook naar de Kaaskop. Gek eigenlijk, die man deed alsof hij kwaad was maar hij was het niet echt. Misschien viel het
allemaal toch wel mee.

“We hebben het samen gedaan meneer, niet Daan alleen. En we zullen het nooit meer doen, he Daan, we hebben er echt spijt van. We hebben niet goed nagedacht. Maar alstublieft, ú kunt ons toch ook straf geven.” Hij keek naar Daan die met zijn hoofd knikte ter instemming.

“Zo, ik kan jullie ook straf geven.” De Kaaskop deed of hij ernstig nadacht.

“OK, we spreken iets af. Als jullie hier dadelijk de kamer uitgaan hebben we alles geregeld. Ja? zullen we het zo afspreken?”

De twee jongens knikten ernstig. “Ja, meneer.”

De Kaaskop grijnsde en ritste zijn gulp open……….

Hondengeluk

Het is geloof ik al zes weken geleden dat McK voor het laatst in de Kloostertuin heeft gespeeld. De tijd vliegt, maar natuurlijk niet als je een hond bent met een zere poot. Al die tijd voorzichtig over straat gehinkt en toen het wat beter ging naar het bos. Kwartier, twintig minuten enz. enz.

Maar…. Afgelopen week had ze niet één keer gehinkt dus vandaag (ijzige koude wind) dacht ik: we proberen het en anders ben ik zo weer weg.

McK ging iedereen begroeten, door het dolle, hallo jongens, ik ben er weer. Maar er was iets veranderd. Grote vriendin Bonnie (duitse herder van 9,5 maand en als een paard zo groot) reageerde nogal lauw. Die had inmiddels een andere passie opgevat: ballen. En daar kan McK toch zo kwaad om worden. Honden die met ballen spelen, om gek van te worden. Dan begint ze te brullen van: halo, halo, ik sta hier, kom gvd met mij spelen, hoooooooonnnnnd.

Dus ging de hypocriet weer met Bambie spelen, haar eerste liefde in de tuin. En dat is het aardige van honden die zijn niet beledigd, die nemen het gewoon zoals het is. OK, leuk McK, dan gaan wij toch spelen. Maar morgen, als Bonnie wel met haar wil spelen laat McK Bambie in één klap vallen. En dan dat snuitje van Bambie. Als ik McK was zou ik daar niet tegen kunnen. Maar ja, McK is McK, een opportunist tot in het puntje van haar staart.

Den Haag, 21-2-11