Ongewenst bezoek

Ik zette mijn fiets in het rek en liep met enigszins onvaste stap door mijn
voortuintje. Morgen weer eens iets aan proberen te doen: snoeien, harken, troep opruimen. Ik keek op naar mijn huis, meende even een lichtschijnsel te zien, maar dat doofde meteen. Weer te veel gedronken, te lang in het café blijven zitten, bang voor dat lege, donkere en koude huis, waarnaar ik nu toch onvermijdelijk terugkeerde, en waarin de schim van Robin nog altijd ronddoolde.

Begon ik nu al dingen te zien die er niet waren? Ik zocht mijn sleutel. Jaszak, broekzak, andere broekzak, shit! Ik had toch net….O nee, fiets niet op slot gezet, de sleutels bungelden nog aan het ASA-slot. Ik
wilde mijn sleutels uit het fietsslot halen toen er ineens een koude hand om de mijne sloot. Het volgende ogenblik lag ik op de grond, voelde iets op mijn hoofd landen en alles werd zwart.

Toen ik weer bij kwam lag ik onder een heel grote douche. Een koude douche. Zo’n kater had ik nog nooit gehad. Ik had een droge mond en mijn hoofd bonsde. Ik wilde alleen nog slapen, maar ik besloot dat toch niet onder die douche te doen. Voorzichtig ging ik overeind zitten en keek verbaasd om mij heen. Ik zat verdomme in mijn eigen tuin en die grote douche was regen die in bakken uit de hemel kwam. Heel langzaam probeerde ik te gaan staan en hield me vast aan de takken van de struiken. Ik wist nog net de Aralia te ontwijken met zijn enorme scherpe dorens. Wat deed ik hier?  Langzaam herinnerde ik me weer wát er
gisteravond was gebeurd.

Hoe was het precies gegaan: toen ik de sleutels uit mijn fiets wilde halen was er opeens die enge koude hand die zich over de mijne sloot en me op hetzelfde moment op de grond gooide. Een soort jiujitsu zwaai. Maar waar was nu mijn fiets? En waar waren mijn sleutels? Ik liet me op mijn knieën zakken en zocht de grond af naar mijn huissleutels. Ik zag ze nergens.

Bij de buren maar proberen. Ik belde aan maar er was niemand thuis. Natuurlijk niet, die werkten allemaal. Ik moest trouwens ook naar mijn werk. Ik moest die opdracht afmaken maar ik zou me toch eerst moeten verkleden en ik moest nog een paar uur slapen. Ik probeerde de ramen op de begane grond, de deur, de achterkant van het huis maar nee, alles was hermetisch afgesloten. Dat had ik immers net laten doen voor de verzekering. Dan maar een ruitje inslaan en zo proberen. Kon ik dan het best bij de achterdeur doen want de voordeur sloot ik altijd af.

Ik zocht een steen en tikte op het ruitje naast de deurklink. Net toen ik mijn arm naar binnen wilde steken hoorde ik een politiesirene. Nou, dacht ik opgelucht, die zijn eindelijk eens op tijd als je ze nodig hebt.

Er kwamen 4 agenten op me af. “Halt politie. Blijf staan.”

“Ik weet niet wat jullie hier komen doen, maar ik ben de boef niet, ik woon hier.”

“Ja, ja, dat zal wel, handen boven uw hoofd en staan blijven”.

“Man, doe niet zo stom, ik woon hier. Gisteravond zijn mijn sleutels gejat, ik ben neergeslagen en ik heb de hele nacht in de regen gelegen en nu wil ik naar binnen naar mijn bed en droge kleren aantrekken en…..wat doen jullie trouwens hier?”

“Hebt u een legitimatie in uw zak?”

“Ja,” ik stak mijn hand in mijn achterzak om mijn portemonnee met id-kaart eruit te halen. Leeg. Waar had ik die nou weer gelaten. “Sorry, mijn portemonnee is weg.”

De grootste agent, met een kaal hoofd nam nu de leiding. “Naam – geboortedatum.”

Ik gaf het hem op. “Jan de Winter, 29-12-59.”

“Waar woont u?”

“Hier natuurlijk,” gilde ik opgefokt, “dat zeg ik toch.”

“Adres graag.” Onverstoorbaar.

“Perenstraat 52.”

Hij gaf zijn collega met blond stekeltjeshaar de opdracht om het een en ander te controleren. Tot die tijd stonden we te wachten. Ik bedacht dat ik nog geluk had dat het geen winter was anders zou ik hier toch een aardige longontsteking oplopen. Maar ondanks de warme temperatuur stond ik te rillen als een rietje.
De agent met het stekeltjeshaar kwam terug. “Mijnheer heeft hier wel gewoond maar nu niet meer. Hij is drie weken geleden verhuisd naar Amsterdam, Westerstraat 202.”

“Man, je bent gek, wat is hier aan de hand. Ik woon hier. Ik heb de deur al
opengemaakt. Laten we naar binnen gaan, daar liggen genoeg bewijzen dat ik hier woon.”

“Wie zegt dat u bent wie u zegt dat u bent. U kunt zich niet legitimeren.”

“Binnen liggen mijn paspoort en rijbewijs. Is dat genoeg bewijs?” vroeg ik agressief.

Op sussende toon zei de grote kale agent: “We zullen zien, we zullen zien”.

Met z’n tweeën gingen ze de keuken in en ik volgde, de andere 2 bleven buiten.

Zodra we de keuken binnenkwamen wist ik dat er iets vreselijk fout was. Verbaasd keek ik om me heen. De indeling van de keuken was nog hetzelfde en toch zag het er heel anders uit. Wat was er veranderd? Maar de agenten liepen al door en ik liep met ze mee, ondertussen  piekerend wat er aan de hand was. Mijn verbazing was niets vergeleken bij wat ik voelde toen ik de woonkamer binnenkwam. Al mijn schilderijen waren weg en er hingen op dezelfde plaatsen heel andere dingen. Reprodukties van Appel en Picasso. M’n mond viel open van verbazing.

Een van de agenten keek me aan: “Is er iets?”

Ik kon geen woord uitbrengen en knikte. “Ja.”

“ Wat is er dan? “

“Die, die schilderijen zijn niet van mij. Die hingen hier niet. En de keuken is ook anders.”

“ Wat, wilt u zeggen dat dit uw huis niet is?”

“ Jawel, het is wel mijn huis maar alles is anders.”

“Zijn we soms in het huis van de buren of zo?”

“Nee, nee, het is mijn huis, alleen zijn er dingen veranderd.”  Ik voelde me vreselijk verward en ging op de bank zitten. Die was in elk geval wel van mij. Ik stond weer op en liep naar de eetkamer. De 4 schilderijen die daar hadden gehangen waren ook weg maar er hing er wel één die ook van mijn hand was. Een groot doek en de naakte man op het doek staarde me arrogant aan. “Robin…Robin” stamelde ik. Ik had dit schilderij
10 jaar geleden gemaakt maar toen Robin ineens verdwenen was had ik het niet meer kunnen verdragen elke dag naar dat prachtige mens te kijken die ik meer lief had gehad dan mijn eigen leven. Ik had het in het depot in mijn atelier gezet. Afgedekt met een doek zodat ik het niet meer hoefde te zien. In plaats daarvan had ik 4 kleine  doeken opgehangen die ik jaren geleden had geschilderd, vóór Robins tijd. Een lente serie met jonge koeien. Niets spannends maar ze kalmeerden me. Ik keek om me
heen. Ik zag de agenten naar me kijken en eindelijk begrepen ze wel dat zich hier iets heel eigenaardigs afspeelde.

“Ik wil boven kijken.” Ik stond op en holde de trap op met twee treden. Boven liep ik meteen naar mijn slaapkamer, de agenten op mijn hielen.

“Wacht, wacht meneer de Winter. Wacht!”

Ik bleef op de drempel staan en staarde naar het bed. “Robin, néé, Robin!» Ik herkende mijn eigen stem niet. De agent met het  stekeltjeshaar hield me tegen.
Op het bed lag een naakte man, voorover. Het donkere krulhaar viel over zijn gezicht. Hij bewoog zich niet. De kale agent liep naar het bed toe en bekeek de man nauwkeurig. Hij boog zich over hem heen en begon opgelucht te lachen. “Het is een pop.”

Ik rukte me los: “een pop? Dat kan niet, dit is Robin. Is hij dood?”

“Nee, meneer de Winter, hij is niet dood – het is echt een pop, kijkt u maar.”

Een paar uur later zaten we op het politiebureau. Ik had inmiddels wat gegeten, een paar koppen sterke koffie gedronken, gedoucht en ik had schone drogen kleren gekregen. Ze pasten me niet helemaal; de broek was te kort en het overhemd was weer te groot, maar dat stoorde me niet. Ik voelde me een stuk beter. Nadat we de pop op het bed hadden ontdekt, hadden we de werkkamer bekeken. Ik had met vaste hand de ordner gepakt waarop stond:bank- en giroafschriften. De map was
leeg geweest en hoe we ook gezocht hadden, we hadden niets kunnen vinden waarop mijn naam stond. Jan de Winter bestond niet, in elk geval niet in dit huis. Alleen het schilderij van Robin was van mij geweest. De pop had op Robin geleken, sprekend zelfs. Maar alleen op afstand, zodra ik dichterbij was gekomen had ik tot mijn opluchting gezien dat het Robin niet was.

De kale agent had met het bureau gesproken en er was een team gekomen in witte jassen en met koffers. Zij hadden eerst de vingerafdrukken van mij genomen, waarna ik en de twee andere agenten naar het bureau waren gegaan. De andere agenten hadden het huis uitgekamd en de rechercheur die de leiding had gehad zat nu bij mij aan tafel. Hij had zich voorgesteld als Vermeer – zeg maar Dick.

“Laten we het eens kort samenvatten Jan, als ik het ergens niet goed heb moet je me maar verbeteren. Ok? Gisteren heb je de hele dag in je atelier gewerkt, zoals je trouwens elke dag doet. Je doucht ook daar en dan ga je vaak naar je vaste kroeg, waar je ook een hapje eet en nog wat blijft hangen. Ja?” Hij keek me vragend aan en ik knikte bevestigend

“Ok. Kan iemand bevestigen dat je gisteren in je atelier geweest bent?”

Ik haalde mijn schouders op: “ik weet het niet, misschien heeft iemand me gezien – ik ben nogal op mezelf.”

“Wie is Robin?”

Een vriend waarmee ik een relatie had en die heb ik al een maand of 7 niet meer gezien. Hij is bij me weggegaan. Nooit meer iets van gehoord en toen ik die pop zag liggen dacht ik dat… hij…. dat…was.” Ik slikte moeilijk.

De gedachten gierden door mijn hoofd. Waarom??? Waarom ik??? En wie deed mij dit aan???

Behalve mijn schilderijen en gehele administratie was er niets uit het huis verdwenen, alleen de keukengordijnen; daarom had ik de keuken zo vreemd gevonden.

Zullen we verder gaan Jan? Vermeer keek me vragend aan.

“OK. Je komt om 22.30 thuis – een beetje aangeschoten….”

“En ik dacht dat ik een licht zag in huis – van een zaklantaarn, daar leek het op.”

“He, dat is nieuw, dat had je nog niet eerder verteld.”

“Nee, ik herinner het me ook nu pas.”

“Ok, je ziet dus het licht van een zaklantaarn. Je wil je fiets op slot zetten en je wordt op de grond gegooid en verliest het bewustzijn. Ja?

Ik knikte mat.

“Als je
wakker wordt lig je nog steeds in die tuin maar je fiets en huissleutels zijn
verdwenen.”

“Dat klopt. En daar begrijp ik nou helemaal niets van. Ik zag dat lichtschijnsel in huis dus hadden ze die sleutels niet nodig.”

“Of iemand had zelf sleutels van jouw huis en jij werd neergeslagen door zijn of haar partner en ze besloten het allemaal wat ingewikkelder te maken en namen jouw sleutels en jouw fiets mee. Kom, Jan, denk eens na.” Dick Vermeer keek me peinzend aan.

“Ken je iemand die sleutels van jouw huis heeft.”

Robin schoot het met paniekflitsen door me heen, Robin had nooit zijn sleutels aan mij terug gegeven. Maar ik hield mijn mond. Robin kon eenvoudig niet. Waarom zou hij? Als hij me had willen spreken had hij niet zo’n theaterstuk hoeven op te voeren. Aan de andere kant: de pop die zo op Robin leek, het portret dat nu in de eetkamer hing, het portret van Robin. Maar waarom??? Ik had het gevoel dat er een enorme klomp ijs in mijn borst zat op de plaats van mijn hart. Robin! als hij dit had gedaan had hij er een goede reden voor.

“Waarom kwam de politie vanmorgen vroeg trouwens bij mijn huis kijken?” vroeg ik.

“We waren gebeld.”

“Door wie?”

“Door een van je buren. Zij hadden je in de tuin zien liggen en dachten dat je een zwerver was. Op weg naar hun werk hebben zij ons gebeld.”

Ik twijfelde. Als Robin er mee te maken had zat hij misschien in moeilijkheden. Dan was hij er toch niet mee gebaat als ik hier alles met een politieagent uit zat te pluizen. Misschien wilde hij weer bij me terug komen. En misschien was het maar verbeelding geweest dat ik gisteravond die hand had gevoeld. Misschien was ik wel tegen een tak opgelopen en had ik zo mezelf buiten westen geslagen.
Ik keek op en zag Vermeer strak naar me kijken. Ik had geen idee wat hij de laatste minuten tegen me gezegd had. Plotseling nam ik een besluit.

“Ik eh, ik denk dat eh, misschien heb ik het me allemaal verbeeld. Ik had gisteravond nogal wat gedronken. En vanmorgen was ik nog niet helemaal helder. Nu ik er over nadenk heb ik zelf die schilderijen bij mij thuis vervangen voor die reproducties.”

“En die pop?” vroeg Vermeer “hoe zit het met die pop?”

“Oh, ja, die pop. Die pop was ik vergeten. Ik heb hem zelf neergelegd. Ja, zo is het, voor ik naar de kroeg ging hem ik die pop zelf zo neergelegd.”

“Maar de administratie dan, heb je die ook ineens zelf ergens anders heen gebracht?”

“Ja, inderdaad. Die moet in mijn atelier liggen. Ik moet niet zoveel zuipen, ik word vergeetachtig.”  “En ik wil ook niet dat er een proces verbaal opgemaakt wordt. Het is allemaal één groot misverstand.”

Twee maanden later: krantenbericht:

Vanmorgen
is de bekende schilder Jan de Winter onder verdachte omstandigheden, dood in zijn woning aangetroffen. De politie sluit een zelfmoord niet uit. De schilderijen van de Winter zijn de laatste tijd enorm in waarde gestegen. Dit kwam door de succesvolle expositie die de Winter een half jaar geleden in New York heeft gehad. Vrijwel al het werk dat daar tentoongesteld werk is daar verkocht. Vorige week nog werden 4 van zijn beste werken geveild voor een bedrag van 15 miljoen euro. Zijn partner en enige erfgenaam Robin v.V. zei vanmorgen dat hij zijn portret, 10 jaar geleden door de Winter geschilderd, wilde schenken aan een museum………

Den Haag, 14 april 2006 / Maria Klawer