Levenslang

“Ze is overmorgen jarig en ik heb nog steeds geen geld.” Mistroostig liet Daan zich op de hoge stoep zakken naast zijn vriend.

“Kun je niet om je zakgeld vragen?” Daan schudde zijn hoofd. “Nee, hij is de laatste tijd in zo’n rothumeur. Ik ga het gewoon jatten bij de Kaaskop.”

Mo sloot zijn ogen van ontzetting. “Daan doe dat nou niet, als je gesnapt wordt….”

“Nou, wat dan? Je hoort het zelf op school. Dan wórd je gesnapt en dan móet je mee naar het bureau en dan kríjg je een preek en dan mag je weer weg.” “Maar ze vertellen het misschien wel aan je vader en moeder.” Een rilling liep over Daan’s rug. Als zijn vader zou horen dat hij gestolen had zou hij zeker ontzettend op zijn donder krijgen. Erger dan anders. Dat moest hij er dan maar voor over hebben.

Hij keek Mo met een wit, strak gezicht aan: “Ik doe het om vijf uur. Dan is het altijd druk.”

Ze hadden samen al eindeloos in de winkel rondgehangen. De Hollandse Daan met zijn zijïge witblonde haartjes en de Marokkaanse Mo met zijn zwarte krulletjes. Samen vormden ze een plaatje, een belofte van vrede, van vriendschap, van schoonheid. Maar daar hadden zij geen weet van. Zij waren pas acht.

De keus was gevallen op een klein koffertje met vrolijke lieveheersbeestjes. Daan wist zeker dat Fleur dat mooi zou vinden. Fleur zat bij Daan en Mo in de klas en zou overmorgen jarig zijn. Daan was dol op Fleur. Misschien wel verliefd. Maar alleen zijn vriend Mo wist daarvan en die zou hem nooit verraden.

“Wat kun je eigenlijk met zo’n koffertje doen?” had Mo gevraagd.

“Gewoon, spulletjes in stoppen, dat doen meisjes, dat vinden ze leuk.” “Gewoon, spulletjes in stoppen? Wat voor spulletjes dan?”

“Ja, dat weet ik ook niet goed hoor, maar Annemarie zegt dat je er spulletjes in stopt.”

Daan had een vast vertrouwen in zijn nichtje Annemarie.  Zij was 10, 2 jaar ouder dan Daan en daarom ook de expert in moeilijke vraagstukken zoals: wat geef je aan een meisje van 8 voor haar verjaardag. Daan had toen nog gedacht dat hij het van zijn zakgeld zou kopen. Hij kreeg 2 euro per week. Maar hij had nu al weken geen zakgeld gehad. Als hij het aan zijn vader vroeg werd die kwaad. “Zeur toch niet zo over geld – altijd maar zeuren, je bent net je moeder. Jullie hebben nooit genoeg. Een pak op je donder kun je krijgen.” En als hij het aan zijn moeder vroeg zei
die altijd: “voor geld moet je bij je vader zijn hoor, daar bemoei ik me niet
mee.”  “Maar mam, alleen maar 2 euro per week voor mijn zakgeld, kun je me dat niet gewoon betalen?” “Daan hou daar nou eens over op.” “Jij hebt anders wel altijd geld om drank te kopen.” Daan had haar kwaad aangekeken en meteen een klinkende klets in zijn gezicht gekregen.
De hele dag had het er rood uitgezien.

“Heb je weer op je donder gehad?” vroeg Mo, toen ze elkaar op het schoolplein zagen.

“Ze willen gewoon mijn zakgeld niet betalen.”

“Wil je het van mij lenen?” Daan schudde zijn hoofd. “Nee, bedankt Mo, maar dan kan ik het nooit terug betalen.”

“Nou, dan geef ik het je gewoon.” “Nee.” Daan kon dat niet aannemen. Dan zou het nooit zijn cadeau zijn voor Fleur, maar het cadeau van Mo.

“Kun je het niet gewoon vergeten?” vroeg Mo.

“Nee, dat kan ik niet. Ik wil wat voor haar kopen.” Ze hadden het steeds opnieuw besproken en toen had Daan de knoop doorgehakt. Vanmiddag om 5 uur. Langer uitstellen kon niet.

“Ik ga met je mee,” had Mo gezegd.

“Nee Mo, als ik betrapt word dan ben jij er ook bij.” Mo haalde zijn schouders op maar bleef er bij dat hij mee ging. Om vijf uur waren ze in de winkel van de Kaaskop. Het was een klein warenhuis, van alles wat. Lekkere geurtjes, tassen, tennisrackets, sokken, gereedschap, speelgoed, maar ook videospelletjes en kerstballen. Het was de enige winkel in het dorp. Ja er was natuurlijk een slager en bakker. En op de hoek had je een grote supermarkt, maar dat ging allemaal over eten. Deze winkel had de meest spannende zaken. Zo rond vijf uur zag je er veel kinderen uit de buurt. Er was altijd wel iemand jarig of je had altijd wel iets nodig.
De Kaaskop was zo alert als een hyena met jongen. Hij zag alles, hoorde alles. Iedereen was bang van hem. Maar Peter, een jongen uit een hogere groep, had op school verteld dat hij er een stropdas had gejat en zoals Peter het verteld had was het een spannend avontuur geweest.

Het was vijf uur en Daan en Mo stapten de winkel binnen. Daan was misselijk van angst maar wist precies wat hij wilde. Hij had een grote plastic tas bij zich, want het koffertje dat hij op het oog had paste
niet in zijn broekzak. Het was een schattig koffertje en hij wist zeker dat Fleur het leuk zou vinden. Ze liepen eerst wat rond. Ze hadden afgesproken dat Mo iets zou kopen als de Kaaskop in de buurt van de kassa zou zijn zodat die Mo zou moeten helpen. Mo zou onhandig
doen met het geld, wat laten vallen en dan had Daan genoeg tijd het koffertje te pakken, in de plastic tas te doen en kalm weg te wandelen.

Nu,”  zei Daan, “verpest het niet hoor.”

“Nee,” fluisterde Mo en pakte een schriftje van 1 euro en liep daarmee naar de kassa. Even later kwam hij terug.

“De Kaaskop is er niet,” fluisterde hij.

“Waar is hij dan?” vroeg Daan. “Ik heb hem niet gezien. Misschien is hij er vandaag niet,” zei Mo “en hebben we geluk.”

“Wie is er dan bij de kassa?”

“Dat blonde meisje, weet je wel, met die paardestaart.”

“OK, dan hebben we inderdaad geluk. Die let nooit op. Ga jij nou afrekenen dan pak ik het koffertje.” Mo liep naar de kassa. Daan keek nog eens goed om zich heen en pakte het koffertje. Er gebeurde niets en hij liet het in de plastic tas glijden. Zo nonchalant mogelijk liep hij richting kassa en richting uitgang. Zo hadden Mo en hij het afgesproken. Alsof hij op Mo wachtte en dan zouden ze samen naar buiten gaan. Gespannen keek hij naar Mo. Die had net betaald en kreeg een kassabon en zijn schriftje. Mo kwam naar hem toe en samen liepen ze naar de deur. Het liefst hadden ze gerend maar ze hadden afgesproken dat dat op zou
vallen. Nee, gewoon kalm de winkel uitlopen.

Ze waren er bijna toen ze de Kaaskop zagen. Hij kwam hun richting uitgerend. Zijn dikke hoofd was rood aangelopen en hij zag er naar uit of hij zo in elkaar zou kunnen zakken. Hij hijgde en pufte. Daan zette het op een lopen maar de Kaaskop kreeg hem te pakken toen hij net één voet buiten wilde zetten. Hij werd weer naar binnen gesleurd en de Kaaskop griste de tas uit zijn handen. “Ik wist het wel, ik wist het wel” hijgde de Kaaskop triomfantelijk. “Ik wist dat jullie iets van plan waren. Kom maar eens even mee naar mijn kantoor, jullie allebei.”

Het kantoor was heel anders dan ze het zich hadden voorgesteld. Het was een luxe kamer, met zacht tapijt, een groot bureau, schilderijen aan de muur en aan één kant stond een rij beeldschermen. Toen Daan erop keek wist hij dat het goed fout zat. Hij zag verschillende delen van de winkel. Zo kon de Kaaskop dus precies zien wat er gebeurde.

“Ik heb het alleen gedaan, Mo wist er niets van.” Hij keek de Kaaskop recht aan.

“Ja, ja,” zei de kaaskop, “we zullen zo eens even naar de tape kijken als de politie hier is en je vader of moeder. Maar we zullen beginnen met de politie. Ik denk dat die jullie wel mee zullen nemen. Ja, en van school af. Jammer, maar ja, daar hadden jullie aan moeten denken voordat je met stelen begon.”

Mo zat als verstijfd. Zijn vader was rechter. Hij was dol op zijn vader. Hij was wel streng maar had ook heel moderne opvattingen over opvoeding. Mo had thuis erg veel vrijheid maar er werd hem ook geleerd om de consequenties te dragen van wat hij deed. Zijn vader was eigenlijk nooit boos. Er waren regels en daar moest hij zich aan houden. En hij wist zeker dat stelen heel, heel erg was. De tranen stonden in zijn ogen. Maar hij had zelf meegewild. Daan had hem vaak genoeg gewaarschuwd. Pech. Hij keek nu ook naar de Kaaskop. Gek eigenlijk, die man deed alsof hij kwaad was maar hij was het niet echt. Misschien viel het
allemaal toch wel mee.

“We hebben het samen gedaan meneer, niet Daan alleen. En we zullen het nooit meer doen, he Daan, we hebben er echt spijt van. We hebben niet goed nagedacht. Maar alstublieft, ú kunt ons toch ook straf geven.” Hij keek naar Daan die met zijn hoofd knikte ter instemming.

“Zo, ik kan jullie ook straf geven.” De Kaaskop deed of hij ernstig nadacht.

“OK, we spreken iets af. Als jullie hier dadelijk de kamer uitgaan hebben we alles geregeld. Ja? zullen we het zo afspreken?”

De twee jongens knikten ernstig. “Ja, meneer.”

De Kaaskop grijnsde en ritste zijn gulp open……….