Het potlood gaat rond

Laat me ons even voorstellen:
Paul en Maria Klawer, de trotse eigenaars van McKiffy – teefje geb. 16-8-2009 – fokster Margot Pallas

Wij zijn multimiljonair en Paul is ook nog eens een prins. Ik ben slechts een spender. Mijn leukste bezit is een kast met 106 paar Prada’s. Wij hebben een drogisterijketen en werken al lang niet meer. We hebben een groot, eigenlijk enorm groot landgoed in Wassenaar maar daar zijn we niet zo veel, we zitten meer in het buitenland in een van onze andere huizen………..

Sorry, toen ik toezegde dit keer “het potlood gaat rond”  (een rubriekje in het blad van de Nederlandse Lakeland Terrier Club) te verzorgen dacht ik er helemaal niet aan dat het eigenlijk om de eigenaren van de honden gaat i.p.v. om de honden. Maar wie is er nu in geïnteresseerd in het bovenstaande. Wie kan het wat schelen? Dus, als je het niet erg vindt, heb ik het niet over ons maar over McKiffy, McK, alias Kees maar ook wel Jan genoemd.

Wij hadden al een tijdje geen hond meer. We wonen nu in de binnenstad van Den Haag en dat is eigenlijk geen plaats om een jonge hond op te voeden. Waar moet je een pup uitlaten? Waar moet je wandelen? Hoe ga je met al die gevaarlijke pitbulls om? Nee, we nemen geen hond meer. Maar….. we gingen vorig jaar 14 dagen met onze dochter en haar man + een 1 jaar oude airedale reu, genaamd Spitfire, op vakantie en toen waren we verkocht. Elke dag met dat brok plezier op het strand wandelen en spelen: na die vakantie wisten we het zeker: wij willen weer een hond. We hadden er natuurlijk al lang over gepraat: als, ALS, we weer een hond nemen wat voor ras dan?  Onze laatste hond was een Hollandse Smous, genaamd Piet. In de 11 jaar dat ze bij ons was hebben wij vaak bedacht dat we wel enorm geboft hadden want niet alle Smousjes bleken even leuk. Maar wij hadden toevallig de Supersmous getroffen. Daarom besloten we een totaal ander ras te nemen. Maar wat dan? Langzaam werd het duidelijk: het moest een terrier worden, niet te groot want hij moet wel in een fietsmandje achterop, geen erg populair ras wat doorgefokt is, harig, ja, hoog op de benen: eigenlijk een kleine airedale.

Dochter Jacobine kwam met de oplossing: heb je al eens bij de Lakelands gekeken. “Nee, sterker nog, ik heb volgens
mij nog nooit een Lakeland in het echt gezien.” Ik ging op sites kijken, spitte alle boeken nog eens door en wist dat we het ras gevonden hadden. Ze hadden alles wat ik zo leuk vond aan een hond en ik kon niets vinden wat ik minder vond. Dus meldde ik me aan bij de
pupbemiddeling van de NLTC. Margot Pallas moest me helaas vertellen dat er op dat moment geen pups beschikbaar waren. Wanneer dan wel? Ja, er zat wel iets aan te komen. Maar hoe lang zou dat gaan duren? Geen idee. Er zat niets anders op dan geduldig te wachten tot er weer ergens pups waren.

En toen, op een zaterdag in oktober 2009 kwam er een mailtje van Margot. Ze had een teefje aangehouden uit het laatste nest maar wilde toch liever een rode teef en of we nog interesse hadden. Met foto’s er bij. Ik mailde de foto’s door aan
Jacobine met de tekst: als het de rechter hond is doen we het. Die zondag zijn Paul en ik bij Margot gaan kijken; het was de rechter pup op de foto en ze had dezelfde kleuren en tekening als een Airedale. We besloten meteen: we nemen haar mee.                                                     Tijdens de reis zat ze op schoot. Daar zat ik dan met dat kleine hoopje bont met van die leuke lapjes op haar kop. Toen we thuiskwamen had zoon Chrispijn de kamer versierd: Welkom McKiffy. Het was allemaal zo snel gegaan dat we nog geen naam voor haar hadden. We hebben daarna heel veel namen geprobeerd maar McK is altijd blijven hangen, so Mck it will be en zo stapte McK dus ons leven binnen.

Vanaf het begin was het een vrijmoedig hondje. Nergens bang voor en zeer onderzoekend. Het is hier buiten altijd lawaai. Brandweer-, politie- en ambulance-sirenes behoren bij het dagelijks leven in de binnenstad. In het begin bleef ze even zitten als ze iets nieuws hoorde, maar na een paar weken liep ze als een volleerde stadshond vrolijk mee.

Zodra ze haar volledige inentingen had gehad zijn we met haar naar het bos gegaan. Mijn vraag was altijd aan de eigenaren: “zijn de honden aardig voor een pup?” en zo ja, dan lieten we haar los. In het begin met bonkend hart. We hebben het 3 keer meegemaakt dat de hond, ondanks de verzekering van de eigenaar dat hij reuze aardig was, dat absoluut niet was, maar er is nooit iets onherstelbaars gebeurd. Dan pakten we
haar gewoon op en liepen door.

Als we met Spitfire en McK wandelen is dat een erg leuk gezicht. Zoals Jacobine zegt: Het is een leuk “setje”. Ze zijn dol op elkaar en die grote sterke, vaak nog wilde Spitfire is o zo voorzichtig met meisje McK. We hebben McK  nu 7 maanden en we zijn aardig aan elkaar gewend. Ze ziet er uit als een speelgoedhondje, maar vergis je niet: het is er één met haar op haar tanden.

Ze speelt met allerlei soorten honden. Dat heeft voor- en nadelen. Het voordeel is dat ze altijd wel een hond tegen komt om mee te rennen, te zwemmen of te spelen, het nadeel is dat het soms erg onbehouwen (wel aardige) honden zijn die McK zo af en toe helemaal onder schoffelen. En dan is het natuurlijk toch een klein ras en vrij tenger gebouwd.

Door al dat spelen en rennen is McK een echte bodybuilder geworden. Ze bekijkt de wereld met een zonnige blik, heeft veel vrienden gemaakt, zowel mensen als honden. Bij ons in de buurt wordt ze “Bobbie” genoemd. Misschien hebben we wel een periode gehad dat we
haar Bobbie noemden, kan, en is dat blijven hangen. Maar goed, dan loop je dus op straat met je hond en zeggen mensen: “he, Bobbie, lekker aan het wandelen?”
Vroeger zeiden ze mij gedag, nu de hond.

Volgens mij hebben wij weer een Superhond getroffen.

Maria Klawer

Den Haag, 3-6-10