Onenightstand

Anouk omhelsde haar zus stevig. “Wat heerlijk om je weer te zien. Hoe was de reis? Ga je morgen naar de trouwerij? …….”

Marijke lachte.  “Wat ben ik blij dat ik er ben.” Anouk nam de reistas over. “Natuurlijk ga ik morgen naar de trouwerij. Ik blijf veertien dagen en ik logeer zoals altijd in Het Witte Huis. Je bent een schat dat je me af bent komen halen.”

Marijke kuste haar zus op haar wangen. “Je ziet er goed uit zeg. Ben je verliefd of zo?”

Anouk grijnsde ondeugend. “Yes!, ik ben verliefd. Ik zal het je allemaal vertellen vanavond, als wij samen gaan stappen.”

“Oh nee. Ik heb net een reis van 22 uur achter de rug, ik ben doodmoe en als ik morgen naar de trouwerij ga wil ik er niet als een vaatdoek uitzien. Ik ga naar mijn hotel, neem een lekker warm bad en dan met een boek naar bed. De rest van de 14 dagen zijn voor jou.” Marijke geeuwde
uitgebreid.

“Hé get, je wordt een oud wijf. Je kunt wel zien dat ik tien jaar jonger ben.” Lachend gaf Anouk Marijke een duwtje en samen liepen ze naar
de uitgang van Schiphol en naar de auto van Anouk.

In het hotel pakte ze haar koffer uit, lag lekker lang in bad, waste haar haar, lakte haar nagels en ging in haar kamerjas op bed liggen met haar boek. 19.30 uur. Toen pas besefte ze dat ze een razende trek had. Ze stond op,  trok een eenvoudig zwart jurkje aan, stak haar blonde krullen op, stifte haar lippen en liep naar beneden. Het was vol in het kleine restaurant. Er stond een lange man bij de ingang. “Dag Tom, wat leuk dat
ik je zie. Kan ik nog wat te eten krijgen? Iets simpels. Hoe is het met Door en de kinderen?” Terwijl Tom haar naar haar tafeltje bracht vertelde hij dat zijn gezin het uitstekend maakte. “Heb je vakantie of zo?” “Ja, ook, maar ik ben hier voor het zoveelste huwelijk van mijn moeder. Ze gaat morgen trouwen: voor de vijfde keer. Ze mailde me: “dit keer op huwelijkse voorwaarden” met de datum en de tijd. Ik heb mijn familie zo’n tijd niet gezien en nu kan ik het mooi combineren. Ik verheug me erop. Wat is het trouwens druk vanavond. Het ziet er allemaal goed uit Tom.” Tom, ober, barkeeper, manusje van alles maar ook de eigenaar van het hotel, straalde.

Marijke ging aan het tafeltje zitten. “Wat kun je me aanraden?”

“Neem de tong, die is heerlijk. Een lekkere salade erbij, gebakken aardappelen. Simpel maar lekker en zal ik je vast een glas wijn brengen?”

Marijke keek om zich heen. Het was een gezellig geroezemoes.
Naast haar was nog een tafeltje voor 1 persoon. Er zat een slanke man aan met donker haar. Terwijl haar ogen over hem heen gleden keek hij plotseling op. Een smal intelligent gezicht met onwaarschijnlijk blauwe ogen die haar recht aankeken. Ze voelde haar wangen warm worden en knikte hem toe. Hij glimlachte en ging verder met zijn maaltijd.

De tong was inderdaad heerlijk. Toen ze klaar was stond ze op. Tom kwam naar haar toe. “nog een glas cognac aan de bar Marijke?” Ze knikte en liepen samen  naar de bar. Ze wisselden nieuwtjes uit. De
man van het tafeltje naast haar kwam ook naar de bar en ging naast haar zitten.
“Tom, geef mij ook maar zo’n glas. Mag ik me even voorstellen? Emile Vervére.” En hij keek haar weer aan met die intense blauwe blik.

“Marijke de Winter”.

“Marijke en ik zijn oude vrienden” zei Tom tegen Emile. “Emile is hier regelmatig te gast.”

Marijke en Emile schudden elkaar de hand. Het leek wel of er vonken oversprongen. Marijke kreeg weer een kleur.

“Zo jongens, ik ga eens in de keuken kijken en Emile wil vast wel de honneurs waarnemen, nietwaar Emile?” Die knikte.

“O.K. Tom, ik zie je nog wel. Doe ze thuis de groeten van me.”

Tom gaf haar een kus op haar wang, zei Emile gedag en verdween.

“Zo te zien is Tom nogal op je gesteld” zei Emile.

“Tom is een schat. Wat doe jij zoal op een doordeweekse avond in Den Haag?”

“Behalve nu op jou passen? Zaken. En jij?”

“Familiebezoek. Maar ik wil nooit bij de familie logeren.”

“Zal ik je nog eens inschenken?” Emile pakte de cognacfles die nog op de bar stond. “Mooie cognac voor een mooie vrouw.”

“Vleier” zei ze luchtig, maar haar hart bonkte in haar keel.

Na een kwartier stond ze op. “Emile, ik ga naar boven want ik ben hondsmoe. Leuk je ontmoet te hebben. ”

“Wacht, ik loop met je mee.” Hij gaf haar een arm  en samen liepen ze de trap op. Voor haar deur bleef hij staan en stak de fles cognac omhoog: “nog 1 afzakkertje?”

Ze werd ’s nachts om 3 uur wakker met een enorme dorst. Naast haar lag Emile. Ze glimlachte en maakte hem wakker. “Emile, je moet weg want je moest ergens heel vroeg zijn zei je. Van mij mag je blijven liggen.” Ze
kuste hem, draaide zich om en viel meteen weer in slaap. Toen ze om 8 uur weer wakker werd was Emile verdwenen.

Marijke nam een douche en kleedde zich zorgvuldig. Werkte de wallen onder haar ogen weg en maakte zich bescheiden op. Ze neuriede zachtjes. Ze ging meteen naar het stadhuis. Om 10 uur was de trouwerij.

In het oude stadhuis op de Groenmarkt zag ze haar moeder. “Mam, mam…” Haar adem stokte in haar keel. Haar moeder draaide zich om en zei: “schat, wat heerlijk dat je kon komen. Hier is mijn andere schat, Emile Vervére. Ik dacht even dat deze trouwerij niet door kon gaan want Emile kwam vannacht om 4 uur thuis van een zakenreis. Hondsmoe maar tevreden, zoals hij zei. Emile, darling, dit is mijn oudste dochter Marijke…….”

Marijke keek in een paar onwaarschijnlijk blauwe ogen.

Den Haag, 13-8-11

Geld, macht en andere zaken

Rutte is naar de koningin gehold en heeft gezegd: “Majesteit, het is me niet gelukt met die Wilders. Hij wil niet. Sorry dat we wat miljarden er door heen gejaagd hebben, maar ja, u en ik majesteit zullen daar niet zoveel
van merken ha, ha, ha. Dat is alleen maar voor het klootjesvolk. Pardon. Dat had ik niet zo mogen zeggen.”

De tweede kamer is nu veranderd in een bijenkorf. Iedereen praat met iedereen en zij gaan nu bewijzen dat ze met z’n allen in twee dagen
kunnen wat Rutte in 7 weken niet is gelukt.

Geld, macht en macht en geld. Daar draait het om. Niet om het landsbelang maar om eigenbelang.

Maar wat zijn mensen toch leuke beesten. Terwijl een groot deel van de Nederlandse bevolking probeert omhoog te klimmen en onderweg
iedereen die hem in de weg zit naar beneden trapt is een ander deel van de Nederlandse bevolking met hele andere dingen bezig.

Zo was ik gisteren is het museum Meermanno Westrenianum.
Elke woensdag om 13.00 uur kun je daar hun laatst verworven schat zien. Een miniatuur bibliotheek. Naar een voorbeeld van de bibliotheek van de Engelse koningin Victoria.

En ik keek vanmorgen op de site van Vroege Vogels en daar
las ik dat een heel team zich bezig houdt met otter Henk. Otter Henk is in de Weerribben gevonden als een kleuterotter van 3 maanden oud zonder ouders. Dan kunnen ze nog niet voor zichzelf zorgen dus is hij naar de otteropvang gebracht. Nu is hij groot genoeg om wel voor zichzelf te zorgen en zal hij worden teruggeplaatst in de natuur. Volgens de wet moet hij dan terug naar de Weerribben. Maar zoals zo vaak weet de wet er niets van want, zeggen de deskundigen op dit gebied: “In de weerribben zitten al 60 otters. Als je zo’n jonge otter daar terug zou plaatsen dan wordt hij weggepest. Zij hebben nu een gebied bij Doesburg gevonden waar al wel een vrouwtjesotter zit (die geen familie van hem is) en daar gaat Henk nu feestvieren. Kijk, dat zijn nog eens leuke nieuwtjes.

Den Haag, 26-4-12

Lachebekjes

Ik erger me dood aan TV programma’s waar veel in gelachen wordt. Dom gedoe. Je bek wijd open alsof je bij een paardenkeuring bent. En
zo’n lach glijdt er ook zo weer vanaf zodra ze denken dat ze niet meer in beeld zijn. Je hebt er ook bij die voor alle zekerheid altijd die bek open doen voor de keuring. En nu heb ik toch stil plezier. De tandartsen worden uit het ziekenfondspakket gehaald. Dus dadelijk heeft iedereen weer rotte tanden. Nou, dan zul je zien dat Nederland een stuk minder “vrolijk” is.

Den Haag, 24-9-11

Boy

Het was maandagmorgen zeven uur. Ik had een bank uitgekozen met een schitterend uitzicht op de waterpartij. Mijn hond rende rondjes alsof
zijn leven er van afhing. Ik wist bijna zeker dat hij dadelijk “per ongeluk”
zijn rondje zo zou uitbreiden dat hij een stukje over het water moest. Kon hij het dan helpen dat hij er in viel. Hij was Jezus niet. Het beloofde een warme dag te worden. Over een kwartier zou Boy voor me staan. Dan zou ik hem vertellen dat het uit was tussen ons. Ik ging hem ook vertellen dat ik in verwachting was.

Ik had gisteren een zwangerschapstest gedaan. Positief! Positief! Veertig jaar. Eindelijk. Pieter en ik hadden er heel goed over nagedacht en samen hadden we besloten dat dit echt mijn laatste kans was. We wilden dolgraag kinderen. Zo’n stuk of vijf. Maar toen die er na vijf jaar huwelijk nog niet waren hadden we ons allebei laten onderzoeken. De oorzaak had bij Pieter gelegen. Hij was onvruchtbaar. Kon geen kinderen verwekken. De klap was groot geweest.

Wij waren al samen vanaf de 4e klas middelbare school. Samen hadden we economie gestudeerd in Rotterdam. We hadden toen al een vast beeld voor ogen gehad hoe we ons leven zouden leven. De politiek in. Later zouden we trouwen en dan kinderen. Veel kinderen.

Toen we drie-en-dertig waren trouwden we. En vanaf dat moment
waren kinderen welkom geweest. Het idee dat we geen kinderen zouden krijgen was nooit in ons hoofd opgekomen. Alles was immers altijd gelopen zoals we het gepland hadden. Wat waren we naïef geweest. Gek eigenlijk. In ons werk wisten we precies wat we moesten en waarom. Maar in ons privéleven waren we de draad ineens kwijt. Alsof er in ons huwelijk een rotje was ontploft. Maar het had ons niet verwijderd van elkaar. Integendeel. Samen huilden wij, we klampten ons aan elkaar vast en wisten heel zeker: wij moeten een kind.

We gingen opnieuw plannen maken. We waren toen allebei achtendertig en te oud om voor adoptie in aanmerking te komen. Een KI vonden we
ook geen optie. Als dat bekend zou worden. We moesten er niet aan denken hoe ons privé drama uitgemeten in kranten en roddelbladen zou verschijnen. De gedachte alleen al. Toen besloten we om zelf een donor te zoeken. Pieter was inmiddels minister geworden en had een
rechterhand nodig. Er was een advertentie gezet en we hadden samen de selectie gedaan. Uiteindelijk waren er 3 mannen en twee vrouwen overgebleven.
We hadden uiteraard de vrouwen er alleen voor de vorm bijgehouden. Er moesten er weer twee afvallen. We besloten dat we onze keus nu moesten maken en die was gevallen op Boy. We hadden hem laten keuren en laten testen tot we alles van hem wisten. Ook zijn achtergrond was heel belangrijk voor ons. En bij hem was die zonder meer goed geweest.

Zo had Boy dus zijn intree gedaan in ons leven. We waren er geen van twee bang voor geweest dat ik op Boy verliefd zou worden. Ik hield van
Pieter met heel mijn hart en hij van mij. We hadden het probleem academisch benaderd. We hadden alleen maar een donor nodig. Meer niet. En die donor mocht van niets weten. We wilden niet later daarmee gechanteerd worden. We wilden er niets over lezen in de kranten. We wilden alleen maar een kind.

Zo kwam Boy voor Pieter werken. Zo van de universiteit, zo bij het gevolg van Pieter. Verblind door de schijnwerpers, verblind door Pieter was hij net het bekende konijn geweest, gevangen in het licht van die
schijnwerpers.

Twee maanden geleden waren we onze zogenaamde verhouding
begonnen. Boy en ik. We hadden natuurlijk altijd condooms gebruikt. Mijn
condooms, die ik van te voren lek geprikt had. Ik had het steeds zo uitgekiend dat we sex hadden als ik vruchtbaar was. En nu was ik dan zwanger. Boy had gedaan waarvoor hij aangenomen was.Ons leven zou verder gaan. Met een kind. Zonder Boy. Ik was hem al bijna vergeten. Hij zou een zeer goede baan in het noorden van het land krijgen. Dat
had Pieter al geregeld. Voor Boy zou het een bliksemcarrière betekenen.

Ik zag Boy pas op het allerlaatste moment. Toen hij al voor me stond. Zijn gezicht stond gespannen. Hij zag spierwit.

“Elsa, wat is er aan de hand, waarom zo vroeg en waarom hier?”

“Boy, we moeten praten. Ik kan dit niet langer aan. Het is uit tussen ons. Over. Afgelopen.”

Niet te veel aandikken dacht ik bij mezelf.

“Ik ben in verwachting. Dat is er aan de hand.”

“Ben je van Pieter in verwachting?”

“Ja, natuurlijk, van jou kan het niet zijn.”

“Oh, gelukkig Elsa.”

Ik keek hem bevreemd aan. Het leek wel of hij opgelucht was. Nou ja, maar beter zo.

“ Elsa, ik moet jou ook iets vertellen.” Hij keek me aan met een van angst vertrokken gezicht. “Ik heb aids.”

“Aids? Aids? Hoe kan dat nou? Hoe kom jij aan aids.” Ik voelde me ijskoud worden. Dit kon niet waar zijn. Dit mocht niet.

“Boy, kijk me aan. Zeg dat het niet waar is. Het kan niet waar zijn.”

“Ik weet het pas sinds gisteravond. Ik heb gisteravond een gesprek met mijn huisarts gehad. . Ik had een test laten doen. Ik ben homosexueel, Elsa, een homo.”

“Wat homo. Waarom ben je dan met mij naar bed gegaan?”

“Omdat ik dacht dat het van me verwacht werd verdomme. Niet omdat ik het wilde. Ik val op mannen. Niet op jou.”

“Weet Pieter dit al?”

“Natuurlijk niet. Ik vertel dit aan jou, in vertrouwen. Gelukkig hebben wij altijd condooms gebruikt. Ik zou de gedachte niet kunnen verdragen iemand te besmetten. Jezus Elsa, wat moet ik doen.”

Ik had al mijn zelfbeheersing nodig om niet in gillen uit te barsten. Om niet de eerste de beste steen te pakken en daarmee zijn hersens in
te timmeren.

Maar ik deed niets. Ik liep richting waterpartij en floot mijn hond.

Den Haag, 18-6-2006

Gebroken gedachte

Er brandde maar één  klein lampje in de slaapkamer waarbij ik net kon lezen. Een mug vloog door de kamer. Hij maakte een geluid als een kleine cirkelzaag. Na een tijdje hield het venijnige geluid op. Ik speurde de kamer af of ik de mug kon ontdekken. Het lamplicht streek langs de muur en ik zag de mug zitten. Als ik op een stoel ging staan en één voet op de verwarming kon ik hem doodslaan.Ik klom op de stoel, zette één voet op de verwarming en sloeg naar de mug. Ik raakte mijn evenwicht kwijt en viel.

Ik werd wakker in het ziekenhuis. “Wat doe ik hier” vroeg ik de zuster die naast mijn bed stond.  “U hebt een gebroken gedachte”, zei zij “en u moet twee jaar in bed blijven. Hebt u trek in een hapje lekker verse pens?”

Ik keek naar beneden en zag dat mijn rechtervoet in het gips zat. En ineens wist ik het weer. Ik had warme voeten gehad en was naar beneden naar de koelkast gegaan om frisse voeten aan te doen.

“Hebt u ook altijd frisse voeten in de koelkast staan?” vroeg ik de zuster.

Ze keek me peinzend aan. “Hoe weet u dat?”

Ik legde haar uit dat ik dat niet wist en het haar daarom vroeg.

“Mijn voeten hebben een clicksysteem,” zei ik. “Ik click mijn voeten er gewoon aan. Je moet wel goed opletten dat je de goede voet aan het goede been doet.”

“Waar koopt u die voeten?” vroeg ze.

“Ik laat ze maken. U kent misschien dat bedrijf dat de toneelkleding verzorgt? Je kunt daar pruiken en kleding huren, decors laten maken en allerlei andere dingen. Ik wilde een keer als octopus naar het carnaval en toen hebben zij zes armen voor mij gemaakt. Dat was zo goed gelukt dat ik dacht dat kunnen ze vast ook wel met voeten doen. Zo doende. De eerste voeten die ik liet maken waren van hout. Maar als je die houten voeten in de koelkast zette werden ze niet echt fris. Dus heb ik ze gevraagd voeten van titanium te maken. Heerrrrlijk fris. Het is iets duurder maar dan heb je ook wat. Heb ik een tas bij me?”

Ze knikte van ja.

“Kunt u mijn tas misschien even pakken dan kan ik u mijn voeten laten zien.”

Zij liep naar de kast en haalde mijn tas eruit.

“Maakt u maar open en haal de rode zak eruit. Daar bewaar ik ze altijd in.”

“Waarom een rode zak?” vroeg zij.

“Neemt u mij in de maling?”

“Natuurlijk niet. Ik moet dat weten,” zei de zuster.

“Toen mijn voeten er net afgezaagd waren bloedden ze nogal. Ik heb ze toen in een rode zak gedaan omdat ik niet van bloed houd. Zo kun je
het gelukkig niet zien.”

Ik haalde de voeten eruit en gaf ze aan de zuster.

“Mag ik ze eens passen?”

“Natuurlijk. Ik hoop dat het uw maat is.”

Ze stapte van haar eigen voeten af en zette haar rechterbeen op de rechtervoet. Ze deed een stap. De voet bleef staan.

“Ze doen het niet.” zei ze vertwijfeld.

“U hebt ook geen clicksysteem. Dat is heel belangrijk.”

“Wat nu?” zei zij.

“We zullen zelf een clicksysteem moeten maken. Leg die voet maar op het bed hier. Ik heb dat zo gedaan. Kijk, dat palletje aan de voet, Zoiets moet nu ook bij uw been. Maar dan omgekeerd. Pak dat blauwe rolletje
eens in mijn tas. Zevende vakje rechts. Daar zitten clickjes op.”

Ze gaf het me aan en ik plakte het op haar been. Nu kon ik de voet aan haar been clicken.

“Nu nog het andere been. U mag de voeten wel even lenen. Ik moet hier toch twee jaar liggen. En weet u wat ik zo handig vind?” Ze keek me
vragend aan. “Als je nu je nagels wilt lakken zet je gewoon je voeten even op tafel.” Ik moest giechelen. “In het begin lakte ik ze drie keer per dag. Gewoon voor de lol. Neem die voeten nu maar mee. Ik ga nu slapen. Ik ben moe.”

Ineens bedacht ik dat de zuster waarschijnlijk niet wist hoe ik heette. En aan wie moest ze dan die voeten terug geven.

“Zuster?”

“ Ja?”

“Ik heet Bobbie. Dat is een hondennaam. Maar dat vind ik niet erg. Zolang ik maar ……….” ik kon niet verder praten van het lachen “……
geen ……….harige oren …….krijg. Dan vallen ……….mijn ………oorbellen ……..niet ……….meer ……op.”

Ik lachte tot de tranen over mijn gezicht liepen. De zuster
boog zich over me heen. “Goed zo”, zei ze, “lachen is gezond. Net als fruit. Drie keer per dag.”

“Net als nagels lakken” lachte ik, “ook drie keer per dag.”

“Bobbie.” Het klonk aarzelend. “Je zei net iets over harige oren. Heb je de laatste tijd nog in de spiegel gekeken.”

“Nee, ik geloof het niet. Waarom?”

“Wil je in de spiegel kijken?”

“OK.”

Ze pakte de spiegel van de muur en hield hem mij voor.

“Oh, wat grappig, wat leuk. Ik heb een hondenkop. Alleen hangoren. Zie je wat ik bedoel? Je kunt nauwelijks mijn oorbellen zien. Zuster, u hebt er voor doorgeleerd: pak een decoupeerschaar. Zit in mijn tas. Eerste vakje links. En in het veertiende vakje links zitten twee rolletjes rode tape. Een met clickjes en een zonder clickjes. Die zonder clickjes moet je hebben. Ja?”

“Heb ik.”

“Ook de schaar?”

“Ja,  heb ik ook.”

“Ik wil staande oren. Puntoren. Maak even een malletje. Hier.” Ik knipte met de schaar een vorm uit het beddenlaken. “Zie je, zo moet je ze knippen en dan doe je er een rood tapeje om.” Ik liet het haar zien…….

“………Ze is waarschijnlijk op haar achterhoofd gevallen. ….Ze
heeft een zware hersenschudding….. Plat liggen en rust…….”

“Hoe kan je nu een hersenschudding krijgen in je slaapkamer?” zei een bekende stem.

Ik deed voorzichtig mijn ogen open en zag twee wazige dokters staan.

“Kijk, ze is wakker.”

Ik voelde voorzichtig aan mijn oren.

Den Haag, 15-10-2006

 

Levenslang

“Ze is overmorgen jarig en ik heb nog steeds geen geld.” Mistroostig liet Daan zich op de hoge stoep zakken naast zijn vriend.

“Kun je niet om je zakgeld vragen?” Daan schudde zijn hoofd. “Nee, hij is de laatste tijd in zo’n rothumeur. Ik ga het gewoon jatten bij de Kaaskop.”

Mo sloot zijn ogen van ontzetting. “Daan doe dat nou niet, als je gesnapt wordt….”

“Nou, wat dan? Je hoort het zelf op school. Dan wórd je gesnapt en dan móet je mee naar het bureau en dan kríjg je een preek en dan mag je weer weg.” “Maar ze vertellen het misschien wel aan je vader en moeder.” Een rilling liep over Daan’s rug. Als zijn vader zou horen dat hij gestolen had zou hij zeker ontzettend op zijn donder krijgen. Erger dan anders. Dat moest hij er dan maar voor over hebben.

Hij keek Mo met een wit, strak gezicht aan: “Ik doe het om vijf uur. Dan is het altijd druk.”

Ze hadden samen al eindeloos in de winkel rondgehangen. De Hollandse Daan met zijn zijïge witblonde haartjes en de Marokkaanse Mo met zijn zwarte krulletjes. Samen vormden ze een plaatje, een belofte van vrede, van vriendschap, van schoonheid. Maar daar hadden zij geen weet van. Zij waren pas acht.

De keus was gevallen op een klein koffertje met vrolijke lieveheersbeestjes. Daan wist zeker dat Fleur dat mooi zou vinden. Fleur zat bij Daan en Mo in de klas en zou overmorgen jarig zijn. Daan was dol op Fleur. Misschien wel verliefd. Maar alleen zijn vriend Mo wist daarvan en die zou hem nooit verraden.

“Wat kun je eigenlijk met zo’n koffertje doen?” had Mo gevraagd.

“Gewoon, spulletjes in stoppen, dat doen meisjes, dat vinden ze leuk.” “Gewoon, spulletjes in stoppen? Wat voor spulletjes dan?”

“Ja, dat weet ik ook niet goed hoor, maar Annemarie zegt dat je er spulletjes in stopt.”

Daan had een vast vertrouwen in zijn nichtje Annemarie.  Zij was 10, 2 jaar ouder dan Daan en daarom ook de expert in moeilijke vraagstukken zoals: wat geef je aan een meisje van 8 voor haar verjaardag. Daan had toen nog gedacht dat hij het van zijn zakgeld zou kopen. Hij kreeg 2 euro per week. Maar hij had nu al weken geen zakgeld gehad. Als hij het aan zijn vader vroeg werd die kwaad. “Zeur toch niet zo over geld – altijd maar zeuren, je bent net je moeder. Jullie hebben nooit genoeg. Een pak op je donder kun je krijgen.” En als hij het aan zijn moeder vroeg zei
die altijd: “voor geld moet je bij je vader zijn hoor, daar bemoei ik me niet
mee.”  “Maar mam, alleen maar 2 euro per week voor mijn zakgeld, kun je me dat niet gewoon betalen?” “Daan hou daar nou eens over op.” “Jij hebt anders wel altijd geld om drank te kopen.” Daan had haar kwaad aangekeken en meteen een klinkende klets in zijn gezicht gekregen.
De hele dag had het er rood uitgezien.

“Heb je weer op je donder gehad?” vroeg Mo, toen ze elkaar op het schoolplein zagen.

“Ze willen gewoon mijn zakgeld niet betalen.”

“Wil je het van mij lenen?” Daan schudde zijn hoofd. “Nee, bedankt Mo, maar dan kan ik het nooit terug betalen.”

“Nou, dan geef ik het je gewoon.” “Nee.” Daan kon dat niet aannemen. Dan zou het nooit zijn cadeau zijn voor Fleur, maar het cadeau van Mo.

“Kun je het niet gewoon vergeten?” vroeg Mo.

“Nee, dat kan ik niet. Ik wil wat voor haar kopen.” Ze hadden het steeds opnieuw besproken en toen had Daan de knoop doorgehakt. Vanmiddag om 5 uur. Langer uitstellen kon niet.

“Ik ga met je mee,” had Mo gezegd.

“Nee Mo, als ik betrapt word dan ben jij er ook bij.” Mo haalde zijn schouders op maar bleef er bij dat hij mee ging. Om vijf uur waren ze in de winkel van de Kaaskop. Het was een klein warenhuis, van alles wat. Lekkere geurtjes, tassen, tennisrackets, sokken, gereedschap, speelgoed, maar ook videospelletjes en kerstballen. Het was de enige winkel in het dorp. Ja er was natuurlijk een slager en bakker. En op de hoek had je een grote supermarkt, maar dat ging allemaal over eten. Deze winkel had de meest spannende zaken. Zo rond vijf uur zag je er veel kinderen uit de buurt. Er was altijd wel iemand jarig of je had altijd wel iets nodig.
De Kaaskop was zo alert als een hyena met jongen. Hij zag alles, hoorde alles. Iedereen was bang van hem. Maar Peter, een jongen uit een hogere groep, had op school verteld dat hij er een stropdas had gejat en zoals Peter het verteld had was het een spannend avontuur geweest.

Het was vijf uur en Daan en Mo stapten de winkel binnen. Daan was misselijk van angst maar wist precies wat hij wilde. Hij had een grote plastic tas bij zich, want het koffertje dat hij op het oog had paste
niet in zijn broekzak. Het was een schattig koffertje en hij wist zeker dat Fleur het leuk zou vinden. Ze liepen eerst wat rond. Ze hadden afgesproken dat Mo iets zou kopen als de Kaaskop in de buurt van de kassa zou zijn zodat die Mo zou moeten helpen. Mo zou onhandig
doen met het geld, wat laten vallen en dan had Daan genoeg tijd het koffertje te pakken, in de plastic tas te doen en kalm weg te wandelen.

Nu,”  zei Daan, “verpest het niet hoor.”

“Nee,” fluisterde Mo en pakte een schriftje van 1 euro en liep daarmee naar de kassa. Even later kwam hij terug.

“De Kaaskop is er niet,” fluisterde hij.

“Waar is hij dan?” vroeg Daan. “Ik heb hem niet gezien. Misschien is hij er vandaag niet,” zei Mo “en hebben we geluk.”

“Wie is er dan bij de kassa?”

“Dat blonde meisje, weet je wel, met die paardestaart.”

“OK, dan hebben we inderdaad geluk. Die let nooit op. Ga jij nou afrekenen dan pak ik het koffertje.” Mo liep naar de kassa. Daan keek nog eens goed om zich heen en pakte het koffertje. Er gebeurde niets en hij liet het in de plastic tas glijden. Zo nonchalant mogelijk liep hij richting kassa en richting uitgang. Zo hadden Mo en hij het afgesproken. Alsof hij op Mo wachtte en dan zouden ze samen naar buiten gaan. Gespannen keek hij naar Mo. Die had net betaald en kreeg een kassabon en zijn schriftje. Mo kwam naar hem toe en samen liepen ze naar de deur. Het liefst hadden ze gerend maar ze hadden afgesproken dat dat op zou
vallen. Nee, gewoon kalm de winkel uitlopen.

Ze waren er bijna toen ze de Kaaskop zagen. Hij kwam hun richting uitgerend. Zijn dikke hoofd was rood aangelopen en hij zag er naar uit of hij zo in elkaar zou kunnen zakken. Hij hijgde en pufte. Daan zette het op een lopen maar de Kaaskop kreeg hem te pakken toen hij net één voet buiten wilde zetten. Hij werd weer naar binnen gesleurd en de Kaaskop griste de tas uit zijn handen. “Ik wist het wel, ik wist het wel” hijgde de Kaaskop triomfantelijk. “Ik wist dat jullie iets van plan waren. Kom maar eens even mee naar mijn kantoor, jullie allebei.”

Het kantoor was heel anders dan ze het zich hadden voorgesteld. Het was een luxe kamer, met zacht tapijt, een groot bureau, schilderijen aan de muur en aan één kant stond een rij beeldschermen. Toen Daan erop keek wist hij dat het goed fout zat. Hij zag verschillende delen van de winkel. Zo kon de Kaaskop dus precies zien wat er gebeurde.

“Ik heb het alleen gedaan, Mo wist er niets van.” Hij keek de Kaaskop recht aan.

“Ja, ja,” zei de kaaskop, “we zullen zo eens even naar de tape kijken als de politie hier is en je vader of moeder. Maar we zullen beginnen met de politie. Ik denk dat die jullie wel mee zullen nemen. Ja, en van school af. Jammer, maar ja, daar hadden jullie aan moeten denken voordat je met stelen begon.”

Mo zat als verstijfd. Zijn vader was rechter. Hij was dol op zijn vader. Hij was wel streng maar had ook heel moderne opvattingen over opvoeding. Mo had thuis erg veel vrijheid maar er werd hem ook geleerd om de consequenties te dragen van wat hij deed. Zijn vader was eigenlijk nooit boos. Er waren regels en daar moest hij zich aan houden. En hij wist zeker dat stelen heel, heel erg was. De tranen stonden in zijn ogen. Maar hij had zelf meegewild. Daan had hem vaak genoeg gewaarschuwd. Pech. Hij keek nu ook naar de Kaaskop. Gek eigenlijk, die man deed alsof hij kwaad was maar hij was het niet echt. Misschien viel het
allemaal toch wel mee.

“We hebben het samen gedaan meneer, niet Daan alleen. En we zullen het nooit meer doen, he Daan, we hebben er echt spijt van. We hebben niet goed nagedacht. Maar alstublieft, ú kunt ons toch ook straf geven.” Hij keek naar Daan die met zijn hoofd knikte ter instemming.

“Zo, ik kan jullie ook straf geven.” De Kaaskop deed of hij ernstig nadacht.

“OK, we spreken iets af. Als jullie hier dadelijk de kamer uitgaan hebben we alles geregeld. Ja? zullen we het zo afspreken?”

De twee jongens knikten ernstig. “Ja, meneer.”

De Kaaskop grijnsde en ritste zijn gulp open……….

Romanpersonage te koop

Auteur Henk van Straten biedt op E-bay een romanpersonage te koop aan. Je kunt je levensverhaal + foto inleveren en meteen bieden. De veiling duurt 10 dagen en de hoogste bieder krijgt met al zijn herkenbare dingen een plaatsje in de nieuwe roman van Henk van Straten.

Mijn eerste gedachte was: iedereen wordt stapelgek. Maar daarna probeerde ik wat genuanceerder te denken. Waarom zou je geen gebruik
maken van de publiciteitsgeilheid van mensen en ze laten betalen. Lekker dik verhaal maken met wel 100 personages, lekker dik verdienen dus. Wat, dubbel verdienen natuurlijk, want zo’n boek krijgt weer extra publiciteit en de mensen zijn dan reuze nieuwsgierig hoe het nou eigenlijk zit met de buurvrouw van nr. 10 en zo gaan mensen die normaal nooit een boek kopen nu wel zo’n boek kopen. Ping, kassa!!

Wat bezielt zo’n Henk van Straten nou? Kan hij zelf de personages
niet meer bedenken? Of is het gewoon een geldwolf? Of is hij heel vernieuwend bezig?

Ik hoop dat het in de bieb komt te liggen want ik ben toch wel nieuwsgierig.

Den Haag, 28-7-08

Het boek is uitgekomen onder
de titel Ik ben de regen – 2008 later veranderde v. Straten de titel in Kleine
Stinkerd. De hoogste bieder betaalde ongeveer € 900,– voor zijn personage.

 

Ongewenst bezoek

Ik zette mijn fiets in het rek en liep met enigszins onvaste stap door mijn
voortuintje. Morgen weer eens iets aan proberen te doen: snoeien, harken, troep opruimen. Ik keek op naar mijn huis, meende even een lichtschijnsel te zien, maar dat doofde meteen. Weer te veel gedronken, te lang in het café blijven zitten, bang voor dat lege, donkere en koude huis, waarnaar ik nu toch onvermijdelijk terugkeerde, en waarin de schim van Robin nog altijd ronddoolde.

Begon ik nu al dingen te zien die er niet waren? Ik zocht mijn sleutel. Jaszak, broekzak, andere broekzak, shit! Ik had toch net….O nee, fiets niet op slot gezet, de sleutels bungelden nog aan het ASA-slot. Ik
wilde mijn sleutels uit het fietsslot halen toen er ineens een koude hand om de mijne sloot. Het volgende ogenblik lag ik op de grond, voelde iets op mijn hoofd landen en alles werd zwart.

Toen ik weer bij kwam lag ik onder een heel grote douche. Een koude douche. Zo’n kater had ik nog nooit gehad. Ik had een droge mond en mijn hoofd bonsde. Ik wilde alleen nog slapen, maar ik besloot dat toch niet onder die douche te doen. Voorzichtig ging ik overeind zitten en keek verbaasd om mij heen. Ik zat verdomme in mijn eigen tuin en die grote douche was regen die in bakken uit de hemel kwam. Heel langzaam probeerde ik te gaan staan en hield me vast aan de takken van de struiken. Ik wist nog net de Aralia te ontwijken met zijn enorme scherpe dorens. Wat deed ik hier?  Langzaam herinnerde ik me weer wát er
gisteravond was gebeurd.

Hoe was het precies gegaan: toen ik de sleutels uit mijn fiets wilde halen was er opeens die enge koude hand die zich over de mijne sloot en me op hetzelfde moment op de grond gooide. Een soort jiujitsu zwaai. Maar waar was nu mijn fiets? En waar waren mijn sleutels? Ik liet me op mijn knieën zakken en zocht de grond af naar mijn huissleutels. Ik zag ze nergens.

Bij de buren maar proberen. Ik belde aan maar er was niemand thuis. Natuurlijk niet, die werkten allemaal. Ik moest trouwens ook naar mijn werk. Ik moest die opdracht afmaken maar ik zou me toch eerst moeten verkleden en ik moest nog een paar uur slapen. Ik probeerde de ramen op de begane grond, de deur, de achterkant van het huis maar nee, alles was hermetisch afgesloten. Dat had ik immers net laten doen voor de verzekering. Dan maar een ruitje inslaan en zo proberen. Kon ik dan het best bij de achterdeur doen want de voordeur sloot ik altijd af.

Ik zocht een steen en tikte op het ruitje naast de deurklink. Net toen ik mijn arm naar binnen wilde steken hoorde ik een politiesirene. Nou, dacht ik opgelucht, die zijn eindelijk eens op tijd als je ze nodig hebt.

Er kwamen 4 agenten op me af. “Halt politie. Blijf staan.”

“Ik weet niet wat jullie hier komen doen, maar ik ben de boef niet, ik woon hier.”

“Ja, ja, dat zal wel, handen boven uw hoofd en staan blijven”.

“Man, doe niet zo stom, ik woon hier. Gisteravond zijn mijn sleutels gejat, ik ben neergeslagen en ik heb de hele nacht in de regen gelegen en nu wil ik naar binnen naar mijn bed en droge kleren aantrekken en…..wat doen jullie trouwens hier?”

“Hebt u een legitimatie in uw zak?”

“Ja,” ik stak mijn hand in mijn achterzak om mijn portemonnee met id-kaart eruit te halen. Leeg. Waar had ik die nou weer gelaten. “Sorry, mijn portemonnee is weg.”

De grootste agent, met een kaal hoofd nam nu de leiding. “Naam – geboortedatum.”

Ik gaf het hem op. “Jan de Winter, 29-12-59.”

“Waar woont u?”

“Hier natuurlijk,” gilde ik opgefokt, “dat zeg ik toch.”

“Adres graag.” Onverstoorbaar.

“Perenstraat 52.”

Hij gaf zijn collega met blond stekeltjeshaar de opdracht om het een en ander te controleren. Tot die tijd stonden we te wachten. Ik bedacht dat ik nog geluk had dat het geen winter was anders zou ik hier toch een aardige longontsteking oplopen. Maar ondanks de warme temperatuur stond ik te rillen als een rietje.
De agent met het stekeltjeshaar kwam terug. “Mijnheer heeft hier wel gewoond maar nu niet meer. Hij is drie weken geleden verhuisd naar Amsterdam, Westerstraat 202.”

“Man, je bent gek, wat is hier aan de hand. Ik woon hier. Ik heb de deur al
opengemaakt. Laten we naar binnen gaan, daar liggen genoeg bewijzen dat ik hier woon.”

“Wie zegt dat u bent wie u zegt dat u bent. U kunt zich niet legitimeren.”

“Binnen liggen mijn paspoort en rijbewijs. Is dat genoeg bewijs?” vroeg ik agressief.

Op sussende toon zei de grote kale agent: “We zullen zien, we zullen zien”.

Met z’n tweeën gingen ze de keuken in en ik volgde, de andere 2 bleven buiten.

Zodra we de keuken binnenkwamen wist ik dat er iets vreselijk fout was. Verbaasd keek ik om me heen. De indeling van de keuken was nog hetzelfde en toch zag het er heel anders uit. Wat was er veranderd? Maar de agenten liepen al door en ik liep met ze mee, ondertussen  piekerend wat er aan de hand was. Mijn verbazing was niets vergeleken bij wat ik voelde toen ik de woonkamer binnenkwam. Al mijn schilderijen waren weg en er hingen op dezelfde plaatsen heel andere dingen. Reprodukties van Appel en Picasso. M’n mond viel open van verbazing.

Een van de agenten keek me aan: “Is er iets?”

Ik kon geen woord uitbrengen en knikte. “Ja.”

“ Wat is er dan? “

“Die, die schilderijen zijn niet van mij. Die hingen hier niet. En de keuken is ook anders.”

“ Wat, wilt u zeggen dat dit uw huis niet is?”

“ Jawel, het is wel mijn huis maar alles is anders.”

“Zijn we soms in het huis van de buren of zo?”

“Nee, nee, het is mijn huis, alleen zijn er dingen veranderd.”  Ik voelde me vreselijk verward en ging op de bank zitten. Die was in elk geval wel van mij. Ik stond weer op en liep naar de eetkamer. De 4 schilderijen die daar hadden gehangen waren ook weg maar er hing er wel één die ook van mijn hand was. Een groot doek en de naakte man op het doek staarde me arrogant aan. “Robin…Robin” stamelde ik. Ik had dit schilderij
10 jaar geleden gemaakt maar toen Robin ineens verdwenen was had ik het niet meer kunnen verdragen elke dag naar dat prachtige mens te kijken die ik meer lief had gehad dan mijn eigen leven. Ik had het in het depot in mijn atelier gezet. Afgedekt met een doek zodat ik het niet meer hoefde te zien. In plaats daarvan had ik 4 kleine  doeken opgehangen die ik jaren geleden had geschilderd, vóór Robins tijd. Een lente serie met jonge koeien. Niets spannends maar ze kalmeerden me. Ik keek om me
heen. Ik zag de agenten naar me kijken en eindelijk begrepen ze wel dat zich hier iets heel eigenaardigs afspeelde.

“Ik wil boven kijken.” Ik stond op en holde de trap op met twee treden. Boven liep ik meteen naar mijn slaapkamer, de agenten op mijn hielen.

“Wacht, wacht meneer de Winter. Wacht!”

Ik bleef op de drempel staan en staarde naar het bed. “Robin, néé, Robin!» Ik herkende mijn eigen stem niet. De agent met het  stekeltjeshaar hield me tegen.
Op het bed lag een naakte man, voorover. Het donkere krulhaar viel over zijn gezicht. Hij bewoog zich niet. De kale agent liep naar het bed toe en bekeek de man nauwkeurig. Hij boog zich over hem heen en begon opgelucht te lachen. “Het is een pop.”

Ik rukte me los: “een pop? Dat kan niet, dit is Robin. Is hij dood?”

“Nee, meneer de Winter, hij is niet dood – het is echt een pop, kijkt u maar.”

Een paar uur later zaten we op het politiebureau. Ik had inmiddels wat gegeten, een paar koppen sterke koffie gedronken, gedoucht en ik had schone drogen kleren gekregen. Ze pasten me niet helemaal; de broek was te kort en het overhemd was weer te groot, maar dat stoorde me niet. Ik voelde me een stuk beter. Nadat we de pop op het bed hadden ontdekt, hadden we de werkkamer bekeken. Ik had met vaste hand de ordner gepakt waarop stond:bank- en giroafschriften. De map was
leeg geweest en hoe we ook gezocht hadden, we hadden niets kunnen vinden waarop mijn naam stond. Jan de Winter bestond niet, in elk geval niet in dit huis. Alleen het schilderij van Robin was van mij geweest. De pop had op Robin geleken, sprekend zelfs. Maar alleen op afstand, zodra ik dichterbij was gekomen had ik tot mijn opluchting gezien dat het Robin niet was.

De kale agent had met het bureau gesproken en er was een team gekomen in witte jassen en met koffers. Zij hadden eerst de vingerafdrukken van mij genomen, waarna ik en de twee andere agenten naar het bureau waren gegaan. De andere agenten hadden het huis uitgekamd en de rechercheur die de leiding had gehad zat nu bij mij aan tafel. Hij had zich voorgesteld als Vermeer – zeg maar Dick.

“Laten we het eens kort samenvatten Jan, als ik het ergens niet goed heb moet je me maar verbeteren. Ok? Gisteren heb je de hele dag in je atelier gewerkt, zoals je trouwens elke dag doet. Je doucht ook daar en dan ga je vaak naar je vaste kroeg, waar je ook een hapje eet en nog wat blijft hangen. Ja?” Hij keek me vragend aan en ik knikte bevestigend

“Ok. Kan iemand bevestigen dat je gisteren in je atelier geweest bent?”

Ik haalde mijn schouders op: “ik weet het niet, misschien heeft iemand me gezien – ik ben nogal op mezelf.”

“Wie is Robin?”

Een vriend waarmee ik een relatie had en die heb ik al een maand of 7 niet meer gezien. Hij is bij me weggegaan. Nooit meer iets van gehoord en toen ik die pop zag liggen dacht ik dat… hij…. dat…was.” Ik slikte moeilijk.

De gedachten gierden door mijn hoofd. Waarom??? Waarom ik??? En wie deed mij dit aan???

Behalve mijn schilderijen en gehele administratie was er niets uit het huis verdwenen, alleen de keukengordijnen; daarom had ik de keuken zo vreemd gevonden.

Zullen we verder gaan Jan? Vermeer keek me vragend aan.

“OK. Je komt om 22.30 thuis – een beetje aangeschoten….”

“En ik dacht dat ik een licht zag in huis – van een zaklantaarn, daar leek het op.”

“He, dat is nieuw, dat had je nog niet eerder verteld.”

“Nee, ik herinner het me ook nu pas.”

“Ok, je ziet dus het licht van een zaklantaarn. Je wil je fiets op slot zetten en je wordt op de grond gegooid en verliest het bewustzijn. Ja?

Ik knikte mat.

“Als je
wakker wordt lig je nog steeds in die tuin maar je fiets en huissleutels zijn
verdwenen.”

“Dat klopt. En daar begrijp ik nou helemaal niets van. Ik zag dat lichtschijnsel in huis dus hadden ze die sleutels niet nodig.”

“Of iemand had zelf sleutels van jouw huis en jij werd neergeslagen door zijn of haar partner en ze besloten het allemaal wat ingewikkelder te maken en namen jouw sleutels en jouw fiets mee. Kom, Jan, denk eens na.” Dick Vermeer keek me peinzend aan.

“Ken je iemand die sleutels van jouw huis heeft.”

Robin schoot het met paniekflitsen door me heen, Robin had nooit zijn sleutels aan mij terug gegeven. Maar ik hield mijn mond. Robin kon eenvoudig niet. Waarom zou hij? Als hij me had willen spreken had hij niet zo’n theaterstuk hoeven op te voeren. Aan de andere kant: de pop die zo op Robin leek, het portret dat nu in de eetkamer hing, het portret van Robin. Maar waarom??? Ik had het gevoel dat er een enorme klomp ijs in mijn borst zat op de plaats van mijn hart. Robin! als hij dit had gedaan had hij er een goede reden voor.

“Waarom kwam de politie vanmorgen vroeg trouwens bij mijn huis kijken?” vroeg ik.

“We waren gebeld.”

“Door wie?”

“Door een van je buren. Zij hadden je in de tuin zien liggen en dachten dat je een zwerver was. Op weg naar hun werk hebben zij ons gebeld.”

Ik twijfelde. Als Robin er mee te maken had zat hij misschien in moeilijkheden. Dan was hij er toch niet mee gebaat als ik hier alles met een politieagent uit zat te pluizen. Misschien wilde hij weer bij me terug komen. En misschien was het maar verbeelding geweest dat ik gisteravond die hand had gevoeld. Misschien was ik wel tegen een tak opgelopen en had ik zo mezelf buiten westen geslagen.
Ik keek op en zag Vermeer strak naar me kijken. Ik had geen idee wat hij de laatste minuten tegen me gezegd had. Plotseling nam ik een besluit.

“Ik eh, ik denk dat eh, misschien heb ik het me allemaal verbeeld. Ik had gisteravond nogal wat gedronken. En vanmorgen was ik nog niet helemaal helder. Nu ik er over nadenk heb ik zelf die schilderijen bij mij thuis vervangen voor die reproducties.”

“En die pop?” vroeg Vermeer “hoe zit het met die pop?”

“Oh, ja, die pop. Die pop was ik vergeten. Ik heb hem zelf neergelegd. Ja, zo is het, voor ik naar de kroeg ging hem ik die pop zelf zo neergelegd.”

“Maar de administratie dan, heb je die ook ineens zelf ergens anders heen gebracht?”

“Ja, inderdaad. Die moet in mijn atelier liggen. Ik moet niet zoveel zuipen, ik word vergeetachtig.”  “En ik wil ook niet dat er een proces verbaal opgemaakt wordt. Het is allemaal één groot misverstand.”

Twee maanden later: krantenbericht:

Vanmorgen
is de bekende schilder Jan de Winter onder verdachte omstandigheden, dood in zijn woning aangetroffen. De politie sluit een zelfmoord niet uit. De schilderijen van de Winter zijn de laatste tijd enorm in waarde gestegen. Dit kwam door de succesvolle expositie die de Winter een half jaar geleden in New York heeft gehad. Vrijwel al het werk dat daar tentoongesteld werk is daar verkocht. Vorige week nog werden 4 van zijn beste werken geveild voor een bedrag van 15 miljoen euro. Zijn partner en enige erfgenaam Robin v.V. zei vanmorgen dat hij zijn portret, 10 jaar geleden door de Winter geschilderd, wilde schenken aan een museum………

Den Haag, 14 april 2006 / Maria Klawer

 

 

Alberts Wietplanten

Ik zat op kantoor toen mijn vrouw belde.: “met v.d. Stal.”

“Albert, met mij. Je moet onmiddellijk naar huis komen. Het
huis zit vol politieagenten en ze hebben het slot uit de voordeur geboord en
zijn zo naar binnen gekomen.”

“Waarom heb je ze dan niet gewoon binnen gelaten?”

“Ik was niet thuis. Ik was zwemmen met de kinderen en toen
ik thuis kwam waren al die agenten er.” Lees verder