Boy

Het was maandagmorgen zeven uur. Ik had een bank uitgekozen met een schitterend uitzicht op de waterpartij. Mijn hond rende rondjes alsof
zijn leven er van afhing. Ik wist bijna zeker dat hij dadelijk “per ongeluk”
zijn rondje zo zou uitbreiden dat hij een stukje over het water moest. Kon hij het dan helpen dat hij er in viel. Hij was Jezus niet. Het beloofde een warme dag te worden. Over een kwartier zou Boy voor me staan. Dan zou ik hem vertellen dat het uit was tussen ons. Ik ging hem ook vertellen dat ik in verwachting was.

Ik had gisteren een zwangerschapstest gedaan. Positief! Positief! Veertig jaar. Eindelijk. Pieter en ik hadden er heel goed over nagedacht en samen hadden we besloten dat dit echt mijn laatste kans was. We wilden dolgraag kinderen. Zo’n stuk of vijf. Maar toen die er na vijf jaar huwelijk nog niet waren hadden we ons allebei laten onderzoeken. De oorzaak had bij Pieter gelegen. Hij was onvruchtbaar. Kon geen kinderen verwekken. De klap was groot geweest.

Wij waren al samen vanaf de 4e klas middelbare school. Samen hadden we economie gestudeerd in Rotterdam. We hadden toen al een vast beeld voor ogen gehad hoe we ons leven zouden leven. De politiek in. Later zouden we trouwen en dan kinderen. Veel kinderen.

Toen we drie-en-dertig waren trouwden we. En vanaf dat moment
waren kinderen welkom geweest. Het idee dat we geen kinderen zouden krijgen was nooit in ons hoofd opgekomen. Alles was immers altijd gelopen zoals we het gepland hadden. Wat waren we naïef geweest. Gek eigenlijk. In ons werk wisten we precies wat we moesten en waarom. Maar in ons privéleven waren we de draad ineens kwijt. Alsof er in ons huwelijk een rotje was ontploft. Maar het had ons niet verwijderd van elkaar. Integendeel. Samen huilden wij, we klampten ons aan elkaar vast en wisten heel zeker: wij moeten een kind.

We gingen opnieuw plannen maken. We waren toen allebei achtendertig en te oud om voor adoptie in aanmerking te komen. Een KI vonden we
ook geen optie. Als dat bekend zou worden. We moesten er niet aan denken hoe ons privé drama uitgemeten in kranten en roddelbladen zou verschijnen. De gedachte alleen al. Toen besloten we om zelf een donor te zoeken. Pieter was inmiddels minister geworden en had een
rechterhand nodig. Er was een advertentie gezet en we hadden samen de selectie gedaan. Uiteindelijk waren er 3 mannen en twee vrouwen overgebleven.
We hadden uiteraard de vrouwen er alleen voor de vorm bijgehouden. Er moesten er weer twee afvallen. We besloten dat we onze keus nu moesten maken en die was gevallen op Boy. We hadden hem laten keuren en laten testen tot we alles van hem wisten. Ook zijn achtergrond was heel belangrijk voor ons. En bij hem was die zonder meer goed geweest.

Zo had Boy dus zijn intree gedaan in ons leven. We waren er geen van twee bang voor geweest dat ik op Boy verliefd zou worden. Ik hield van
Pieter met heel mijn hart en hij van mij. We hadden het probleem academisch benaderd. We hadden alleen maar een donor nodig. Meer niet. En die donor mocht van niets weten. We wilden niet later daarmee gechanteerd worden. We wilden er niets over lezen in de kranten. We wilden alleen maar een kind.

Zo kwam Boy voor Pieter werken. Zo van de universiteit, zo bij het gevolg van Pieter. Verblind door de schijnwerpers, verblind door Pieter was hij net het bekende konijn geweest, gevangen in het licht van die
schijnwerpers.

Twee maanden geleden waren we onze zogenaamde verhouding
begonnen. Boy en ik. We hadden natuurlijk altijd condooms gebruikt. Mijn
condooms, die ik van te voren lek geprikt had. Ik had het steeds zo uitgekiend dat we sex hadden als ik vruchtbaar was. En nu was ik dan zwanger. Boy had gedaan waarvoor hij aangenomen was.Ons leven zou verder gaan. Met een kind. Zonder Boy. Ik was hem al bijna vergeten. Hij zou een zeer goede baan in het noorden van het land krijgen. Dat
had Pieter al geregeld. Voor Boy zou het een bliksemcarrière betekenen.

Ik zag Boy pas op het allerlaatste moment. Toen hij al voor me stond. Zijn gezicht stond gespannen. Hij zag spierwit.

“Elsa, wat is er aan de hand, waarom zo vroeg en waarom hier?”

“Boy, we moeten praten. Ik kan dit niet langer aan. Het is uit tussen ons. Over. Afgelopen.”

Niet te veel aandikken dacht ik bij mezelf.

“Ik ben in verwachting. Dat is er aan de hand.”

“Ben je van Pieter in verwachting?”

“Ja, natuurlijk, van jou kan het niet zijn.”

“Oh, gelukkig Elsa.”

Ik keek hem bevreemd aan. Het leek wel of hij opgelucht was. Nou ja, maar beter zo.

“ Elsa, ik moet jou ook iets vertellen.” Hij keek me aan met een van angst vertrokken gezicht. “Ik heb aids.”

“Aids? Aids? Hoe kan dat nou? Hoe kom jij aan aids.” Ik voelde me ijskoud worden. Dit kon niet waar zijn. Dit mocht niet.

“Boy, kijk me aan. Zeg dat het niet waar is. Het kan niet waar zijn.”

“Ik weet het pas sinds gisteravond. Ik heb gisteravond een gesprek met mijn huisarts gehad. . Ik had een test laten doen. Ik ben homosexueel, Elsa, een homo.”

“Wat homo. Waarom ben je dan met mij naar bed gegaan?”

“Omdat ik dacht dat het van me verwacht werd verdomme. Niet omdat ik het wilde. Ik val op mannen. Niet op jou.”

“Weet Pieter dit al?”

“Natuurlijk niet. Ik vertel dit aan jou, in vertrouwen. Gelukkig hebben wij altijd condooms gebruikt. Ik zou de gedachte niet kunnen verdragen iemand te besmetten. Jezus Elsa, wat moet ik doen.”

Ik had al mijn zelfbeheersing nodig om niet in gillen uit te barsten. Om niet de eerste de beste steen te pakken en daarmee zijn hersens in
te timmeren.

Maar ik deed niets. Ik liep richting waterpartij en floot mijn hond.

Den Haag, 18-6-2006